Wanhopige werkperspectieven II

Ondanks een zware periode in de psychiatrie en bij behorende ontmoediging had ik dus weer een masterstudie opgepakt. Daarmee leken mijn werkperspectieven alweer een stuk beter. Het oppakken van een studie was zo tenminste al niet meer even onrealistisch als een Nobelprijs winnen voor een normale, “gezonde” student. Zelfs heb ik al een aantal mooie cijfers gehaald, waaronder met lof voor mijn ‘master thesis’ van een professor die regelmatig in het nieuws mag praten over toxicologie; en een stageplaats verworven bij een bekend instituut waarvan ik de naam niet zal bezoedelen door de mijne eraan te verbinden. Mijn stagebegeleider daar is intelligent, begripvol, heeft humor en wil mij de ruimte geven om me te ontwikkelen.

En toch. De wanhoop heeft opnieuw toegeslagen, ik kan het niet langer ontkennen. Bij colleges en het schrijven van de master thesis had ik er al last van, en nu weer, alleen nu trek ik het onderhand niet meer, na bijna een jaar er tegen gevochten te hebben. Zowel “er” tegen als tegen mezelf, niet wetend wie of wat er nu precies overwonnen moet worden.

In colleges stel ik teveel vragen naar de fundamenten van wat we leren, die uiteindelijk altijd in een ander vakgebied blijken te liggen (zoals de statistiek), of uit heel erg specialistisch onderzoek afkomstig zijn, zodat we ons daar maar niet druk over moeten maken. Het is consensus en dus is het goed, dat argument mag je zelfs gebruiken in schrijfopdrachten en presentaties. Ikzelf ervaar blijkbaar een diep geworteld wantrouwen tegen de consensus zo lang ik niet weet waar die op gebaseerd is, wat vaak alleen maar erger wordt zodra ik de klok heb horen luiden over waar die op gebaseerd is, maar nog niet weet waar de klepel hangt. Voor mijn master thesis ben ik gaan zoeken naar zo’n klepel (de wetenschappelijke basis van de omrekeningsfactor van dierproeven naar mensen). Het kwam er een beetje op neer dat er geen klepel was, maar dat de klok toch luidt omdat iemand er rond 1950 een schop tegenaan gegeven heeft en men sindsdien meent dat dit de manier is….In het geval van mijn master thesis was het blijkbaar wel weer heel prijzenswaardig om niet te vanzelfsprekend mee te gaan met gevestigde praktijken, maar ik begin me toch af te vragen hoe ik nog professional kan worden in een vakgebied waarvan ik de funderingen al wantrouw voor ik ze goed en wel geleerd heb.

Het is sowieso een heel werk om erachter te komen wat nou echt de basis van iets is. Natuurlijk, ik wilde toch ook werk? Maar het is voor een groot deel helaas stomvervelend werk, waarbij ik er tegenaan loop dat ik blijkbaar een beperkte tolerantie heb voor academische teksten. De rijstebrijberg aan publicaties waar je je doorheen moet werken om iets gefundeerd te kunnen zeggen, lijkt daarentegen zo goed als onbeperkt. Zo snijdt de publicatiedruk aan twee kanten: voor de mensen die moeten publiceren is het om gek of frauduleus of iets daar tussen in van te worden, en voor iemand die het allemaal moet lezen eveneens. Niet alleen is het heel véél, het is ook enorm droog, in de meeste gevallen ongeïnspireerd en matig van kwaliteit en lijkt als produkt al te vaak op half verteerde en terug uitgebraakte varianten en combinaties van wat anderen al geschreven hadden, of zelfs van wat ze zelf al eerder geschreven hadden.

Tot misselijkheid toe in herhaling vervallend en naar elkaar verwijzend dus, en het is blijkbaar de bedoeling dat ik dat allemaal opvreet en dan weer bewerkt terug uitkots. Qua misselijkheid moet dat kotsen te doen zijn, maar helaas is het toch wel nodig om enige rationaliteit en concentratievermogen te behouden om een acceptabel stuk te produceren, waar zeker geen misselijkheid aan af te lezen mag zijn. Wat dat betreft is het wel degelijk een hele kunst om te leren.

Daarbij heeft ook nog eens iedere expert zijn eigen vierkante micrometer of kleiner nog, en kan eigenlijk niks zeggen over de micrometers ernaast laat staan verderop (vinden ze zelf vaak, weliswaar mede uit respect naar collega’s), wat het zelfs nog meer tot een enorm energievretend geduldwerk maakt om tot een sluitend totaalbeeld te komen. Hierbij loop ik eerlijk gezegd ook tegen de grenzen van mijn eigen verstandelijke vermogens aan, wat weer een uitstekende aanleiding is om te gaan panikeren over een mogelijke “enge hersenziekte” en/of de vraag of mijn intelligentie niet al zo ongeveer mijn hele leven enorm overschat is. De enige troost daarin is dan, dat het feit dat wetenschappers hun gebiedjes zo klein afbakenen er ook op wijst dat hun eigen verstandelijke vermogens waarschijnlijk ook onvoldoende waren om een groter gebied tot in de diepte te begrijpen. Hoewel dat een geruststellend idee is ten aanzien van de gesteldheid van mijn eigen brein, is het juist verontrustend als het om de wetenschap gaat. Het betekent dat er waarschijnlijk niemand is die zowel het overzicht heeft als de diepte begrijpt, en dit schept enorme mogelijkheden voor misverstanden.

Onderhand helemaal daas van de overdosis aan pogingen tot rationele activiteit begin ik me dan toch weer af te vragen of de wetenschap nou eigenlijk wel zo’n goede keuze voor mij was. Zo ben ik weer een beetje terug bij het perspectief van eerdere blogs waarin ik de wetenschap een beetje afbrandde. Maar dan denk ik ook weer aan wat ik schreef over mijn terugkeer tot de wetenschap, waarbij ik me liet inspireren door Richard Feynman, die aan zijn vriend de kunstenaar uitlegde dat de wetenschap niet tot levenloze abstracties leidt, maar juist tot een verrijking van de levende werkelijkheid. Ik geloof nog steeds wel dat Feynman daarin gelijk heeft, maar ik voel het niet als ik wetenschappelijk werk doe. Daarvoor worden de levendige essenties van kennis die ergens in de wetenschap verborgen liggen, toch teveel bedolven onder de eindeloos voortwoekerende grauwe brij van woorden, cijfers en tabellen.

Tenminste, dat is toch wat het wordt voor mij als ik er te lang en te veel mee bezig moet zijn. Misschien ben ik in de aard dan toch meer kunstenaar dan wetenschapper? Ook al is er voorlopig nog geen kunst die ik beheers, mis ik tot nu toe echt de passie en de drive daarvoor (anders had niemand me toch tegen kunnen houden om me daarin te ontwikkelen), zou ik nog niks weten te verkopen al maakte ik wel echte kunst, en ben ik regelmatig geneigd te denken dat ik me daar toch zeker ook niet op kan storten in de aanwezigheid van de onopgeloste wereldproblematiek? Of ben ik dan dus toch vooral een ‘wereldverbeteraar’, een brenger van veranderingen? Hoe kansloos dat ook lijkt bij mijn persoonlijkheid en vooral ook gezien het feit dat ik als puntje bij paaltje komt niet eens meer zo zeker weet wat er dan precies zou moeten veranderen aan de wereld wil het een verbetering zijn en waar ik in de eerste plaats het lef vandaan haal om te denken dat ik iemand ben die dat beter zou kunnen weten dan al die mensen die het niet zo nodig vinden of er andere ideeën over hebben…Of dan toch, blijkbaar, alleen maar een betreurenswaardig psychiatrisch geval dat nu eenmaal geen duurzaam inzetbare arbeidsvermogens heeft?

Intussen heb ik al bestraffingen van het UWV ontvangen omdat ik wel iets van werk gedaan heb en daarvoor betaald heb gekregen. Ook zijn ze van plan om me volgend jaar extra te gaan korten vanwege mijn arbeidsvermogen, waarbij ze dan wel weer beweren dat ze me willen gaan helpen om werk te vinden. Voorlopig heb ik daar een hard hoofd in. Vanuit het eerdere re-integratietraject, en ook mijn pogingen om bij de carreer office van de universiteit aan betere en helderdere perspectieven te komen, krijg ik eigenlijk dat indruk dat werk dat werkelijk bij mij past, niet bestaat, en dat ik in principe ook nergens geschikt voor ben als ik er niet in slaag om radicaal te veranderen. Bijvoorbeeld door minder wantrouwend te staan tegenover de consensus, door te leren mezelf positiever en enthousiaster te verkopen (zonder per se inhoudelijk genoeg te bieden te moeten hebben dat ik daar zelf ook echt achter kan staan), een eindeloze tolerantie op te bouwen voor saaie en weinig zeggende publicaties (en saai en nutteloos werk in het algemeen), en mijn eigen gebiedje te leren afbakenen zonder me er nog zorgen over te maken of al die losse lapjes onderzoek nog wel genoeg op elkaar en op de onderliggende werkelijkheid aansluiten om nog zinvolle betekenis te hebben anders dan als materiaal om interessant mee te doen naar vakgenoten en geldschieters. Volgens mij vergooi ik dan net de kwaliteiten die ik nog wel heb, in het mij onwaarschijnlijk voorkomende geval dat het me werkelijk zou lukken om zoveel te veranderen.

Een aantal van de veranderingen die ik nodig denk te hebben zouden wel echte verbeteringen zijn ook naar mijn eigen oordeel. Zoals mijn sociale angst echt helemaal overwinnen zodat dat verder geen probleem en geen bron van stress meer is, en net wat beter zijn in het incasseren van mislukkingen en fouten waardoor ik meer durf en meer ruimte heb voor passie en creativiteit waardoor er veel meer mogelijk zou zijn. Maar dat is al zo lang en hardnekkig een probleem, waarvoor ik zelfs al behandeling heb gehad bij de GGZ, dat ik me bijna niet meer kan voorstellen dat het me echt nog kan lukken. Waarschijnlijker lijkt vanuit mijn huidige gemoedstoestand sowieso dat ik uiteindelijk toch wel terug zal afglijden tot psychiatrisch geval zonder toegevoegde waarde (Er zijn zeker ook psychiatrische patiënten die wel een grote toegevoegde waarde hebben! Maar voor mezelf valt me echt psychisch ziek voelen toch wel sterk samen met niet productief kunnen zijn). Het moet ook anders kunnen, vind ik, maar ik zie het (nu /nog?) niet…

Advertenties

“Herstel” en mijn herstart in de wetenschap.

Ondanks al mijn goede moed en enthousiasme, kan ik voor mezelf niet ontkennen, dat ik nog flink wat angst heb voor de aankomende start van mijn studie “Toxicology & Environmental Health”. Na een aantal jaren psychiatrie is er bij terugkeer in de maatschappij een heel spanningsveld ontstaan waar je ook nog eens niet zomaar met iedereen over kunt praten.

Als ik niet in het verleden al geschreven had over mijn ervaringen met psychiatrie en aanverwante zaken, zou ik het op dit moment denk ik ook niet het risico waard achten om “uit de kast te komen” op internet. Maar nu wil ik toch graag waar ik kan met mijn schrijven een beetje het pad verlichten van wie, zoals ik zelf, uit de totale duisternis terug het leven en daarbij zelfs “de maatschappij” in probeert te komen…

Sinds mijn crisis lijken verwachtingspatronen over mijn academische prestaties radicaal omgekeerd. Er zijn nog enkele mensen die mij wat beter kennen, die er nog heel wat vertrouwen in stellen, maar er zijn ook mensen die sinds de crisis enorm skeptisch geworden zijn over mijn mogelijkheden. Zelfs mensen die me helemaal niet kennen, maar wel enkele feitjes bezitten over mijn psychische gezondheid en/ of oordelen van anderen daar over, hebben zich vaak erg stellig uitgesproken met in mijn beleving zeer negatieve verwachtingen.

Tijdens mijn re-integratietraject en later bij een telefoongesprek met het UWV, waarbij het over mijn studieplannen ging, werd bijvoorbeeld gezegd: “Eerst maar eens zien of dat niet maar wat wilde plannen zijn”, en “Heb je al besproken of dat wel haalbaar is?”

Terwijl ik dacht: “Wilde plannen? Ik heb geen conservatiever en veiliger plan kunnen verzinnen….” en “Waar zou ik in vredesnaam iemand vandaan moeten halen die beter kan weten of het haalbaar is, dan ik zelf?”

Maar zelfs al ben ik het er niet mee eens, de zelftwijfel die ik vaak toch al wat teveel heb, is flink aangewakkerd met zulke suggestieve vragen, en laat me niet gemakkelijk meer los.

Net als de stereotype dooddoener van opname afdelingen en dagbesteding “Je zit hier niet voor je zweetvoeten”. Erg kortzichtig vond ik die. Ik zat daar inderdaad niet voor mijn zweetvoeten, maar door een verkeerde diagnose en de schade die een daarop gebaseerde behandeling had aangericht.

Maar toch…

Ook een verkeerde diagnose komt ergens vandaan, en niet doordat ik geen klachten gehad zou hebben…Daarbij kan ik de schade van de verkeerde behandeling ook niet ontkennen…Alleen al het feit dat sommige mensen mij blijkbaar met zoveel zekerheid zien als een nogal ernstig gestoord geval bij wie het ook geen belediging, maar realistisch en zorgzaam is om zulke dingen te zeggen…

…Laat ik ook zeker maar niet alles en iedereen gaan citeren die zulke dingen gezegd heeft, anders wordt het straks nog te geloofwaardig dat ze wel gelijk gehad zullen hebben!

De laatste hulpverleners die ik gesproken heb, en andere mensen door wie ik me redelijk goed begrepen gevoeld heb de laatste tijd, vonden wel dat ik mezelf niet zou moeten zien of presenteren als iemand “met beperkingen”. Zelf geloof ik ook niet echt, dat ik zoveel meer beperkingen zou hebben dan de gemiddelde ander. Maar daarmee zijn de problemen nog niet weg, of zelfs maar onzichtbaar geworden voor anderen…

Zo heb ik dus alles bij elkaar nog vrij sterk de neiging, om mezelf enorm veel druk op te leggen om met zekerheid te voorkomen dat de beperkingspredikers gelijk zouden krijgen, of dat nieuwe mensen met wie ik in contact kom, mij ook weer al te ernstig gestoord zullen gaan vinden. Ik moet dus perfect presteren en perfect normaal doen!

Dat is precies mijn perfecte valkuil, waarmee ik mijn eigen graf zo goed kan graven: Ik jaag mezelf angst aan omdat ik geen angst mag tonen. Dat is toch iets dat ik zou willen vermijden, ware het niet dat vermijdingsmotivatie op zichzelf alweer angst in zich besloten heeft liggen!

Was het trouwens niet om te beginnen al uit angst dat het intellectuele het enige is dat ik nog enigszins kan, dat de wetenschap nu toch de minst onveilige keuze leek?

Daarbij ben ik met dit conservatieve plan een aardig eind op mijn eigen schreden teruggekeerd, terwijl ik toch intussen de hele wetenschap en academische wereld al lang achter me afgefakkeld had? (Zie Wetenschap en Waarheid, Is filosofie compatibel met mijn vrije wil)

Het valt te vrezen dat ik er ten onder zal gaan aan rationaliseringen, en anders wel aan veroordeeld worden voor irrationalisme. Daarbij nog al het doodsaaie en toch nog op mijn zenuwen werkende precisiewerk, enzovoorts….

Is er eigenlijk wel werkelijk leven in de “life sciences”?

…Een vraag die een bodem raakt…

Ik kwam een uitspraak van Richard Feynman tegen, die ik heel toepasselijk vind:

I have a friend who’s an artist, and he sometimes takes a view which I don’t agree with. He’ll hold up a flower and say: “Look how beautiful it is”, and I’ll agree. But then he’ll say: I, as an artist, can see how beautiful a flower is. But you, as a scientist,take it all apart and it becomes dull.” I think he’s kind of nutty. There are all kinds of interesting questions that come from a knowledge of science, which only adds to the excitement and mystery and awe of a flower. It only adds. I don’t understand how it subtracts”.

20130617_175123

Mijn negatieve visie op de wetenschap, is de manier waarop die kunstenaar het bekijkt. Maar de visie van Feynman leeft ook in mij. Behalve dan dat ik wèl zie hoe wetenschap afbreuk kan doen. Maar wetenschap hoeft geen afbreuk te doen aan de levendigheid van ervaring, en kan daar zelfs aan toevoegen!

 

Wat dat betreft heb ik wel een tak van wetenschap gekozen die zich niet direct richt op de meest aangename kanten van het leven. Maar die wel kan helpen om leven en gezondheid te beschermen, en die ik bovendien enorm interessant vind!

Zo ben ik terug op mijn “oude” weg, de wetenschap, na het maken van duistere en vernietigende, maar later ook weer leven brengende omwegen. Ik ben niet gestorven, maar er niet zo zeker van dat ik sterker geworden ben. Wel heb ik veel geleerd, en mijn weg vervolgend zal ik nog heel veel nieuwe dingen kunnen gaan leren, die ik voorheen nog niet geleerd heb…

Is het stigma, of is het wetenschap?

Op het eerste zicht lijken wetenschap en stigma zeer ver uit elkaar te liggen. Wetenschap baseert zich op feiten en logica, en velt principieel geen oordelen die zich daar niet rationeel uit laten rechtvaardigen. Terwijl een stigma precies een onrechtvaardig oordeel is, gebaseerd op beperkte kennis en geveld door negatieve emoties, eventueel geholpen door het rationaliseren van de beperkte kennis.

Desondanks zie ik wetenschap en stigma soms bedrieglijk dicht bij elkaar komen. Bijvoorbeeld bij het idee dat bij psychische aandoeningen sprake is van een in biologische aanleg aanwezig gebrek dat de emotionele stabiliteit ondermijnt. Daardoor zou ook als er geen sprake meer is van ziekte, toch een verhoogd risico blijven bestaan dat iemand weer ziek wordt. Er lijkt op zich redelijk geloofwaardige wetenschappelijke basis te bestaan voor dit idee, voor zover ik dat kan weten zonder er zelf wetenschappelijke expertise in te hebben.

Vanuit dit idee over verhoogde risico’s blijkt het nogal voor de hand te liggen om iemand te ontmoedigen die bijvoorbeeld na een psychische crisis nog een uitdagende studie wil gaan doen, of om zo iemand in ieder geval niet in een verantwoordelijke positie te willen, en hem of haar eigenlijk (onbedoeld) een volwaardig leven zo ongeveer onmogelijk te doen toeschijnen, aangezien alles wat hij/zij wil, opeens te hoog gegrepen zou zijn…En dat ervaar ik overduidelijk als stigma.

Desondanks zou het kunnen dat er inderdaad sprake zou zijn van een hoog risico, en dat daaraan gekoppelde oordelen niet onrechtvaardig zouden zijn.

Wat de wetenschap ons (niet) kan vertellen over de risico’s voor het individu.

De wetenschap kan bijvoorbeeld zeggen, dat mensen die ooit een depressie gehad hebben, een grotere kans hebben op een volgende depressie. Door een groot aantal mensen in de gaten te houden en zorgvuldig volgens wetenschappelijke methodieken incidenties te turven, kan men inderdaad een dergelijke uitspraak wetenschappelijk funderen.

Deze bevindingen gelden echter voor groepen mensen, waarbinnen vaak een aanzienlijke variatie bestaat. Het is dus niet wetenschappelijk verantwoord om deze bevindingen zomaar terug te projecteren op een individu.

Bovendien zijn dergelijke incidentiecijfers lang niet voldoende om uitspraken te kunnen doen over de oorzaken. En zonder kennis van de oorzaak, wordt het nog moeilijker en onwetenschappelijker om nog iets zinnigs te zeggen over de risico’s voor een individu.

Naast het idee van de onderliggende biologische gevoeligheid voor depressies, liggen wat mij betreft nog heel andere oorzaken voor de hand. Waarvan ik niet uit wetenschap weet, maar uit eigen ervaring en contact met andere mensen met ervaring.

Ten eerste: Behandeling van een depressie bestaat al te vaak alleen uit psychologisch een beetje pappen en nathouden in combinatie met nadruk op medicamenteuze behandeling. Dit terwijl er (volgens mij) onderliggend vaak veel meer dan een biologische kwestie, een existentiële kwestie speelt. De persoon met een depressie weet zich niet goed te verhouden tot het eigen leven, is op een verkeerd spoor geraakt, en heeft nieuwe vaardigheden, andere ervaringen, een nieuw perspectief nodig. Soms wordt daar wel aan gewerkt tijdens de depressie en het herstel daarvan, maar soms ook niet. De mensen bij wie het niet gebeurt of bij wie pogingen daartoe niet slagen, zijn na hun eerste depressie eigenlijk niet genezen, maar alleen weer even een beetje opgelapt. Zij krijgen zo goed als zeker een volgende depressie, maar dat is gewoon dezelfde depressie! Echter in de cijfers tikt het lekker aan op deze manier.

Ten tweede: Het algehele ontmoedigingsbeleid, gebaseerd op het “wetenschappelijk gefundeerde” idee van een onderliggende biologische kwetsbaarheid, die een verhoogd risico zou blijven vormen. Dit heeft het in zich om een self-fulfilling prophecy te worden. Mensen, óók gezonde en zelfstandige mensen, zijn gevoelig voor elkaars oordeel, en ik betwijfel of de psychische gezondheid van de meeste “gezonde” mensen zou standhouden als zij geconfronteerd zouden worden met de oordelen die iemand over zich heen krijgt als eenmaal bekend is dat er sprake zou zijn van een psychische stoornis. Ik heb dus een sterk vermoeden dat stigmatisering een vrij grote bijdrage levert aan de ongunstige cijfers die de wetenschap kan vaststellen voor mensen die ernstige psychische problemen gehad hebben.

Daarbij is het niet eens zo eenduidig dat biologische of zelfs genetische gegevens altijd tot onveranderlijke eigenschappen zouden leiden.

Vanuit de wetenschap zijn er de afgelopen tijd steeds meer aanwijzingen gekomen dat de hersenen toch meer aanpassings- en veranderingscapaciteit hebben dan ik nog geleerd heb in de biologieles.

In ieder geval is mijn eigen emotionele stabiliteit geen absoluut onveranderlijk gegeven, aangezien deze nog dramatisch veel slechter geworden is in de periode dat ik behandeld werd voor een onjuiste diagnose, terwijl er daarna juist duidelijke verbeteringen in gekomen zijn. Weliswaar is deze dynamiek moeilijk te onderscheiden van symptomen van de “ziekte” zelf die nu minder worden door “genezing”.

Wat dat betreft is het begrip van wat “ziekte” is, en wat de “symptomen” daarvan zijn en wat bij de “oorzaak” hoort, sowieso nog rampzalig slecht te onderscheiden in de psychiatrie met dank aan het DSM-systeem.

Ook dit bemoeilijkt het gebruik van “wetenschappelijke” bevindingen nogal. Zo worden er “ziektes” onderzocht waarvan feitelijk niet eens zeker is of ze wel bestaan als zodanig. Het valt dan al niet mee om duidelijke resultaten te krijgen, maar soms worden er toch afwijkingen aan de hersenen opgemerkt bij onderzoek aan mensen met een psychiatrische diagnose. Zo lang deze afwijking echter niet consistent en specifiek aanwezig is bij alle personen met een bepaalde diagnose, is het onwetenschappelijk om te beweren dat als iemand symptomen vertoont waarmee de diagnose via de DSM binnengeharkt kan worden, die persoon dan dus ook de afwijking in de hersenen zou hebben die men bij onderzoeken naar die diagnose wel eens gezien heeft. Toch wordt dit vaak moeiteloos en met groot gezag zo gesteld.

Ervaringskennis heeft ook iets toe te voegen.

Los van statistiek en speculaties over hersenplaatjes is het voor mij persoonlijk duidelijk genoeg dat er veel verandering mogelijk is in mijn gedrag en psychische toestand, al zie ik ook al te goed dat ik in sommige opzichten steeds maar niet schijn te kunnen veranderen. Dit is iets dat ik over het algemeen bij andere mensen ook terugzie. Soms valt daarbij op dat vanuit het ene perspectief alleen maar ellende, en vanuit een ander perspectief spectaculaire verbetering te zien is.

Eigenlijk bestaat er geen goed recept om menselijke ontwikkeling te voorspellen of zelfs in een met zekerheid gunstige richting te sturen, en dit maakt leven en ontwikkeling van mensen erg spannend. Maar door verbeterde zelfkennis en levensvaardigheden kan iemand de eigen psychische gezondheid wel degelijk relatief veilig leren stellen ondanks oorspronkelijk aanwezige riskante (biologische) eigenschappen. Mogelijk heeft zo iemand in vergelijking met een ander, die van nature een gunstiger biologisch profiel voor psychische gezondheid had, en nooit aan zichzelf heeft hoeven werken, zelfs een lager risico en vooral ook meer inzicht en mogelijkheden!

 

Is filosofie compatibel met mijn vrije wil??

In de serie “Over de oorsprong van mijn filosoferen in de psychiatrie” was ik als volgende van plan om te schrijven over de hoop die ik in de filosofie gevoeld heb. Maar mijn huidige toestand is daar al te ver van verwijderd. Weliswaar ben ik niet extreem wanhopig, maar toch best een beetje vertwijfeld. Hopelijk zal de lezer daar enig begrip voor kunnen opbrengen, en inzien dat alles wat ik afbrand, tegelijk iets is wat mij zeer aan het hart gaat. Alleen daarom kan alles wat eraan scheelt, mij ook werkelijk veel schelen.

Het schip van de wetenschap heb ik min of meer achter mij verbrand. In mijn vorige stuk (Wetenschap en Waarheid) heb ik niet eens alle redenen daarvoor benoemd. Ik zal hier proberen een wat completere opsomming te maken.

  • Alle vitale aspecten van de menselijke ervaring vallen totaal buiten het bevattingsvermogen van de wetenschap.
  • De wetenschappelijke methode is alleen geschikt om waarheden vast te stellen die zelf aan de wetenschappelijke methode beantwoorden; alles waar meetapparaten en methodes geen vat op krijgen, of wat niet reproduceerbaar is, wordt buitengesloten.
  • Wetenschappers houden zich te vaak niet echt aan de wetenschappelijke methode om “de wetenschap” tot iets betrouwbaars te kunnen maken.
  • Het is sowieso een illusie om te denken dat wetenschappelijke bevindingen volledig betrouwbare kennis opleveren.
  • Publicatie en andere bronnen van geld en status zijn belangrijker dan de vraag of het onderzoek echt waardevol is.
  • Er wordt enorm langs elkaar heen gewerkt. Negatieve resultaten worden meestal niet gepubliceerd. Ondanks het internet is er vaak onvoldoende communicatie tussen onderzoeksgroepen die ergens anders op de wereld of vanuit een andere invalshoek met hetzelfde onderwerp bezig zijn. Hierdoor worden onder andere massa’s proefdieren tamelijk zinloos verspild.
  • Een groot deel van het werk bestaat uit stomvervelend repetitief werk, pietepeuterig prutserig aanpaswerk, mislukkingen, en andere ellende.
  • Om echt iets te kunnen betekenen, moet je je eerst met eindeloos geduld opwerken door jarenlang een willoos inschikkelijk radertje in het systeem te zijn.

Normaal gesproken zou van beide laatste redenen wel gezegd kunnen worden, “dat hoort er nu eenmaal bij, je moet er iets voor over hebben”. Echter gezien alle voorgaande bezwaren, wordt de totale lijdensdruk voor mij in de wetenschap wel onderhand ondraaglijk.

Maar nu dan de filosofie. Ondanks de mooie ervaringen die ik daarmee heb, waarvan ik hoop dat het me later nog wel zal lukken om erover te schrijven, zie ik verder gaan met filosofie studeren ook niet echt zitten.

Een aantal redenen daarvoor:

  • Zelfs de studie-adviseur zegt dat je het niet moet doen om werk mee te vinden. Ik zie het echt niet zitten om nu nog een master-opleiding te gaan doen waar ik geen werk mee zal kunnen vinden.
  • Het grootste deel van filosofie studeren bestaat niet uit filosoferen, maar uit het leren van wat filosofen in het verleden bedacht hebben, en het uitgebreid herkauwen hiervan volgens de regelen der kunst.
  • De meeste filosofische artikelen van enige betekenis zijn al duizenden keren geherkauwd en weer uitgespuugd, zodat ik vaak door walging overmand word op het moment dat ik een opdracht krijg die erop neer komt dat ik dit herkauwsel ook nog eens tot me neem en uitspuug in de vorm van een paper.
  • De ratio wordt op grote schaal verafgood en men vindt het vanzelfsprekend dat het goed zou zijn om iets te doen of laten enkel omdat het rationeel zou zijn.
  • Hoe langer ik studeer, hoe minder ik me nog betrokken en geïnteresseerd voel bij de denkbeelden uit de filosofie waarover ik leer.
  • De academische filosofie kent een groot deel van dezelfde nadelen als de wetenschap, zoals het hiërarchische (en archaïsche) systeem waarin men met eindeloos geduld saai werk volgens de voorgeschreven vorm dient te doen om diploma’s en andere mijlpalen in het verwerven van status te behalen. Zonder deze status kan men het in principe ook wel schudden om serieus genomen te worden.
  • In het leven buiten de academische filosofie worden “filosofische problemen” vaak niet serieus genomen en als onnodig problematiseren gezien. Ondanks het feit dat ik zelf vrij sterk de neiging heb om te problematiseren met de volle overtuiging dat dit terecht is, heb ik regelmatig de indruk dat de filosofie hierin overdrijft!
  • Het lijkt me geen goed idee om mijn neiging tot problematiseren nog groter te maken dan die al is.
  • In de 20ste eeuw is de filosofie al meerdere malen dood verklaard en ik begin te begrijpen waarom; er is al zoveel gepiekerd en geabstraheerd dat het lijkt of verder denken alleen maar verder bij het leven vandaan gaat. Het werkelijk ervaren van het leven valt niet te vangen in abstracte denkbeelden.

In de 20ste eeuw heeft de filosofie dus een aantal malen een tentamen suicidii gedaan. Bij het huidige beeld dat de filosofie mij toont, twijfel ik tussen ritueel begraven en een psychose waarbij negatieve symptomen op de voorgrond staan. Natuurlijk is het wel wat misplaatst om de psychiater van de filosofie te willen uithangen, en het zou ook best “gewoon” een depressie kunnen zijn…Maar in ieder geval ziet het er niet uit als iets waarbij ik enige behoefte voel om er deel van uit te maken!!!

Overigens heb ik dit semester ook een docent die het positiever inschat. Hij verkondigt herhaaldelijk met kracht dat het niet waar is dat de filosofie al 2000 jaar geen vooruitgang meer gemaakt heeft! Dit, wat jullie in mijn college leren, dat is echte vooruitgang! De vrije wil is compatibel met determinisme, en daar hebben we deze eeuw nog helemaal NIEUWE argumenten voor bedacht!!

Ondanks alle argumenten zie ik het determinisme helemaal niet zitten, maar de vrije wil wel! Zelfs al heb ik het erg moeilijk met de verantwoordelijkheid die deze vrije wil met zich meebrengt. Ik moet zelf mijn weg kiezen in het leven! De relevante vraag is nu, of mijn vrije wil nog wel compatibel is met filosofie studeren! De echte, problematische vraag is, zal ik in deze maatschappij überhaupt mogelijkheden kunnen vinden die compatibel zijn met mijn vrije wil?

Over de oorsprong van mijn filosoferen in de psychiatrie Deel 2: Wetenschap en Waarheid

Zelfinzicht.

Natuurlijk had ik inderdaad een gebrek aan zelfinzicht op het moment dat ik hulp zocht bij de GGZ.

In feite heeft iedereen altijd een gebrek aan zelfinzicht. Maar er was iets dat inderdaad van belang was voor de diagnostiek, dat ik aan mijn eigen zicht onttrok met een muur van stoerheid en rationaliteit. Ik wilde mezelf geen “zwakheid” toestaan, en een hulpverlener zou dus van goede huize moeten komen om de zwakheden te ontdekken die ik zelfs voor mezelf wilde verbergen.

Ik was bang. Ik had een enorme angst dat ik niet goed genoeg was, en dat anderen mij niet zouden accepteren. Deze angst was vaak zo heftig dat ze mijn gedrag overnam, zodanig dat ik niet kon presteren en voor anderen moeilijk gedrag vertoonde. Ik had mezelf erin verstrikt en voelde dat ik op deze manier niet veel verder kon komen in het leven.

Vermoedelijk hebben mijn hulpverleners niet goed kunnen zien wat er achter mijn muur van stoerheid en rationaliteit was, en zagen min of meer de muur zelf voor het probleem aan. Hun zogenaamde analyse bestond eruit dat ze mijn muur direct op zicht vergeleken met alles wat ze verder zoal te zien krijgen.

De hierop gebaseerde diagnose kwam in eerste instantie als vervreemdend en nietszeggend binnen, maar verduidelijkte zich langzaam maar zeker tot de volgende boodschap:

“Wat jij als je angst ervaart is helaas de harde waarheid. Dat niet alleen, er zijn nog veel meer redenen waarom je niet goed genoeg bent en je nooit door anderen geaccepteerd zult worden, dan je ooit hebt kunnen vermoeden. Jouw ervaring van jezelf is in grote tegenspraak met hoe jouw hersenen in werkelijkheid in elkaar zitten. Zodra je je bij dit alles neer kunt leggen, kunnen wij je helpen om toch nog een draaglijk leven te lijden”.

Tegen een zo heftige aanval moest ik wel in de verdediging schieten. Ik verdedigde mijn leven door de diagnose aan te vallen. Helaas was het gevolg hiervan niet dat hulpverleners gingen nadenken over de juistheid van de diagnose, maar in plaats daarvan verdedigden zij de diagnose door mij aan te vallen.

Hoewel ik wel aanvoelde dat het helemaal mis ging tussen mij en de hulpverleners, deed ik geen moeite voor een betere behandelrelatie. Het ging hier om wetenschap en feiten, en ik moest dat winnen door aan te tonen dat de diagnose wetenschappelijk onjuist was. Anders zou mijn overwinning geen waarde hebben.

Wetenschap.

De wetenschap had een soort status van heiligheid voor mij. Het was de poort naar de waarheid. Het was het zuivere ontdekkende principe, verheven boven menselijke tekortkomingen.

Tijdens mijn crisis klampte ik me dus krampachtig vast aan de onderzoeksmaster waar ik mee bezig was. Maar naarmate ik verder binnendrong in zowel de wetenschap als mijn crisis, begon ik een heel ander beeld van de wetenschap te krijgen.

Het zuivere ontdekkende principe was nergens te bekennen. Erger nog, als ik eens om me heen keek, leek de misère niet eens beperkt tot mij als emotioneel instabiele en onderaan in de hiërarchie spartelende student. Ik had de stellige indruk dat de meeste mensen in de wetenschap moeizaam voort ploeteren, vaak op een claustrofobisch klein gebiedje, nauwelijks wetend wat er in de gebieden om hen heen gaande is, eigenlijk niet eens helemaal wetend waar ze zelf mee bezig zijn!

Toch wilde ik na mijn crisis nog verder in de wetenschap. Mijn negatieve ervaring was vast voortgekomen uit mijn negatieve gemoedstoestand. Ik verlangde nog altijd naar het zuivere ontdekkende principe. Daarbij verlangde ik ook naar een carrière waarin ik om mijn kwaliteiten gewaardeerd kon worden. Ik kon eigenlijk niet om de wetenschap heen. Ter voorbereiding van het afronden van mijn stage las ik een enkele tekst over onderzoek naar schizofrenie. Dit was het einde van mijn hernieuwde streven tot wetenschap, want er was iets dat mij pijnlijk raakte in die tekst.

Het gebrek aan menselijk gevoel! Dat wat ik ervaren had bij mijn behandelaars, dat wat ik mezelf en anderen aandeed als ik zo nodig stoer en rationeel moest zijn! We zien alleen waarheden die we kunnen meten met onze apparaten en methodes, al het andere ontkennen en negeren we en als dat niet lukt dan miskennen we het. De wetenschap: een keiharde zielloze machine, niet in staat tot enig begrip voor de menselijke ervaring.

Het waansysteem als ingang voor de filosofie.

Nu, teleurgesteld in de wetenschap, nog altijd met een innerlijke drang naar waarheid en ontdekkingen, en zonder duidelijke doelen in het leven, richtte ik mijn aandacht weer op mezelf. Alweer aangedreven door angst en wanhoop, maar nu ook gesteund door hoop en hulpverleners die begrip voor mij hadden, bekeek ik de ruïnes van alles waar ik ooit in geloofd had.

Niet alleen de wetenschap, maar ook iets in mij zelf was keihard en niet in staat tot menselijk gevoel. Net als de wetenschap, was dit tegelijk ook iets waar ik een enorme waarde aan hechtte, die ik niet echt wilde loslaten. Het waren de eisen die ik aan mezelf stelde, het zat diep in mijn eigen systeem van normen en waarden! Omdat ik direct aanvoelde dat er iets niet aan deugde, terwijl ik er toch ook een bijna onaantastbaar geloof aan hechtte, noemde ik het mijn “waansysteem”.

Het was dit “waansysteem” dat mij ieder moment het bestaansrecht kon bestrijden, steeds als ik niet aan de onmogelijke en tegenstrijdige eisen die het aan me stelde, wist te voldoen. Bovendien moest ik er niet aan denken hoe slecht ik zou zijn als mens, in het geval dat ik deze eisen ook op anderen zou toepassen!

Ondanks enige vrees voor antipsychotica vertelde ik mijn psychiater over mijn waansysteem. Mijn psychiater luisterde eens goed naar mij en vond tot mijn grote verrassing, dat ik aardig bezig was met filosoferen! Het leek hem een goed idee dat ik me verder zou verdiepen in filosofie, en ook met andere geïnteresseerde mensen over filosofie zou praten. Ook mijn psycholoog ondersteunde dat idee van harte. Zo kwam het, dat ik me aanmeldde voor mijn allereerste filosofiecursus!