Gevaarlijke overbruggingen in en uit de GGZ.

Bruggen zijn eigenlijk bedoeld om veilig over te steken. Om een brug werkelijk op die manier te gebruiken, is toch een zekere stabiliteit vereist en de intentie om inderdaad veilig over te steken. Iemand in grote psychische nood kan heel anders naar een brug kijken. Bovendien is sowieso niet iedere brug even veilig.

In dit artikel komen drie gevaarlijke bruggen voor de persoon in psychische nood ter sprake: De brug naar de goede behandelaar, die vaak gevaarlijk en gammel is maar waarbij de overkant bereiken wel je redding kan betekenen, de brug waar je misschien van af zou willen springen, en de brug van een beperkt leven in de GGZ naar een vrij leven in de maatschappij (ahum, voor zover dat laatste geen contradictie is).

De brug naar de goede behandelaar kan vereisen dat je gaat “shoppen” terwijl de slechte behandelaar je dit afraadt, en lijkt sowieso vaak geduld en stabiliteit te vereisen op momenten dat je dit absoluut niet hebt. Vooral bureaucratische processen waar alle betrokkenen zodanig in verstrikt raken dat het onmogelijk gemaakt wordt om snel genoeg met de behandeling te beginnen zijn hier erg sterk in. Ook het moeten afwerken van een schijnbaar eindeloze reeks slechte behandelaars voor je ooit een goede tegenkomt kan een zeer riskante beproeving zijn. Beide situaties heb ikzelf ervaren en deze waren zeer gevaarlijk, want zij drongen mij met grote kracht naar de “brug te ver” die hierop volgt:

De brug waar je af wilt springen, omdat het lijden ondraaglijk en uitzichtloos lijkt. Dit is de allergevaarlijkste brug in dit verhaal, de brug die rechtstreeks naar de dood zou kunnen leiden, terwijl dat diep van binnen niet is wat je werkelijk wilde. Tenminste, als ik voor mezelf spreek, was het juist mijn wil tot leven die mij ingaf dat ik er een einde aan moest maken. Want als ik zó graag wilde leven, maar het bleek steeds zo pijnlijk onmogelijk, beschamend en kansloos, wat bleef er dan nog over dan te zorgen dat ik mijn eigen mislukking in dat wat ik met heel mijn wezen wilde, niet meer kon kennen door er zelf niet meer te zijn?

In een tijd dat ik al wel aan de beterende hand was, maar al te lang in onzekerheid en vertwijfeling moest wachten op bureaucratische afhandelingen kwam het plan met de brug. Vergeleken met de acties in mijn slechtste periode was dit een redelijk verstandig plan, waarmee ik impulsieve pogingen op een afstand hield. De beoogde brug bevond zich namelijk ergens in Oost-Duitsland, en om deze plek ook echt te bereiken voor het verrichten van mijn daad zou ik behoorlijk zeker moeten zijn. Ik stelde me voor dat als ik onderweg zou gaan twijfelen, ik waarschijnlijk als “verward persoon” opgepakt zou worden in Duitsland en daar in een inrichting gestopt. Dat wilde ik in ieder geval niet.

Op een gegeven moment heb ik dan maar contact opgenomen met 113, zowel via internet (113online) als ook een keer via de telefoon. Gelukkig was de persoon aan de telefoon in staat om een gesprek met mij te voeren dat het niet alleen maar erger maakte, maar juist een beetje beter. Zij vroeg mij wat ik zou willen als ik nergens rekening mee hoefde te houden. Ik had haar al verteld over mijn plan met de brug, en ik zei: “Ik zou van die brug af willen springen, maar dan niet doodgaan”. Ik dacht aan de bossen en bergen in het uitzicht en de duizelingwekkende diepte en de hoge snelheid die de ultieme angst en het ultieme genot tot één geheel maken in een stortvloed van intense indrukken. En ik wist: Ik wil niet dood. Ik wil juist ten volle leven!

Intussen ben ik overigens nog steeds te vreesachtig geweest om werkelijk toe te komen aan zowel een dergelijke sprong als “ten volle leven”. Maar sommige dingen die ik doe komen er wel wat in de buurt, en goed genoeg om niet meer te geloven dat de dood een verbetering zou zijn ten opzichte van mijn leven.

De brug van GGZ naar een vrij leven in de maatschappij ofwel volledig “herstel” inclusief maatschappelijk herstel is de brug waar ik me nu op bevind. Hoewel dit nu wel veiliger voelt dan de uiterst bedenkelijke gammele brug naar de goede behandelaar die ik ter nauwer nood overleefd heb, voelt het gevaar nog vaak erg nabij.

Wat vooral opvalt is dat er eigenlijk helemaal geen sprake is van een brug. Of een herkenbare overkant. Alsof je aan een moeras met drijfzand ontkomen bent en dan een rivier moet doorwaden in de mist.

Toch is het ook regelmatig of ik me al wel degelijk op een hoogte bevind waar ik van af zou kunnen vallen. En alsof er een weg terug is waar ik heen gejaagd zou kunnen worden als iemand besluit om mensen niet over de brug te laten. Alsof er toch een banvloek op zou kunnen rusten, waardoor mijn terugkeer in het land der levenden om allerlei onverwachte redenen toch geweigerd zou kunnen worden…Bijvoorbeeld als ik omkijk, en ik kan het omkijken steeds niet laten…

Laat ik maar hopen wat ik ook wel weet, namelijk dat niet al mijn angstfantasieën zichzelf waar hoeven te maken. Toch geloof ik dat omkijken werkelijk gevaarlijk kan zijn, en ik mij zelf al bloggend in gevaar breng. Openheid over psychische problemen hoeft geen probleem te zijn voor iemand die al goed en stabiel functioneert in geaccepteerde maatschappelijke rollen, heeft getoond daarin competent te zijn en dan nog eens toegeeft zich toch wel eens psychisch ziek te voelen. Maar iemand wiens laatste herkenbare maatschappelijke rol “psychiatrisch patiënt” was, die moet eerst nog maar eens bewijzen desondanks competent te zijn, terwijl er al bergen “bewijs” ligt voor het tegendeel.

Toch zijn er gelukkig ook mensen die dit anders zien, en zij kunnen helpen met het oversteken van deze laatste brug waar eigenlijk geen brug is. Dan kan deze gevaarlijke oversteek uiteindelijk zonder herkenbare overgang doorlopen tot de enige echte gevaarlijke brug in een eeuwigheid van niet-leven, waar al het andere dat je deed zich ook al op bevond. Dan besef je opeens dat je hetzelfde grote gevaar deelt met iedereen die nooit in de GGZ is geweest.

Leven met exposure in soorten en maten.

Exposure bij angststoornissen.

In de behandeling van angststoornissen is “exposure”, het aangaan van de angst, meestal een belangrijk onderdeel. Ik heb zelfs wel eens de neiging gehad om dit te interpreteren als: hoe meer exposure hoe beter. Het leven begon toch buiten je comfortzone!

Weliswaar had ik al lang geen comfortzone meer, of althans, daar had ik verboden gebied van gemaakt, aangezien ik eindelijk eens moest en zou beginnen met leven!

20150718_220549~2

Vaak werd ik vooral enorm gestresst en gefrustreerd door deze pogingen tot exposure. Het voelde dan echt helemaal niet goed, en ik ging nog raar doen ook waardoor ik mijn angsten alleen maar verder bevestigde. Maar net vaak genoeg om het niet op te geven, werkte het dan toch wel. Dan had ik eindelijk eens toegang tot het leven! Altijd te kort weliswaar, maar toch: Leven! Daar deed ik het voor!

Bovendien, hoewel het in angstige situaties vaak voelde alsof het niet zo was, leerde ik er uiteindelijk ook van. Nu constateer ik vaak met groot genoegen dat een situatie die me enige tijd geleden redeloos en radeloos maakte, me moeiteloos af ging alsof ik er in mijn hele leven nog nooit een probleem mee gehad zou hebben!

Weliswaar komt het ook steeds weer voor dat het opeens toch weer wel een probleem is, maar dan heb ik toch al steun van het weten dat ik het eigenlijk wel degelijk kan.

Toch lijkt me achteraf bezien, de mentaliteit waarmee ik het aanging niet altijd even gezond. Ik heb de indruk dat ik door mezelf zo lang aan één stuk door aan stress bloot te stellen, mijn innerlijke stressregulatiesysteem nog verder ontregeld heb. Voor mijn gevoel heb ik mezelf daarbij ook nog eens zo goed als onmogelijk gemaakt bij een veel te groot aantal mensen, door in een redeloze vecht-vlucht-of-bevries modus het “contact” met hen aan te willen gaan…

Wel heb ik nog de hoop dat ik in ieder geval het belangrijkste deel van de daarbij opgelopen schade nog kan goedmaken, zodat ik alles bij elkaar er toch iets mee gewonnen heb.

Exposure in “risk assessment.”

In mijn studie ging het ook over exposure, 4 weken lang aan één stuk door. Het bepalen van de exposure is een van de essentiële onderdelen van de manier waarop risico’s vanuit de wetenschap ingeschat worden. Ik zal mijn lezers niet vervelen met de definities van exposure die in mijn vakgebied gehanteerd worden, maar meestal komt het toch neer op het in aanraking komen met schadelijke stoffen. Exposure is dan hetgene dat van een potentieel gevaarlijke stof pas een daadwerkelijk schadelijke stof maakt. Het is dus iets dat we over het algemeen willen vermijden.

Wel zijn er ook exposures die een gunstig effect kunnen hebben, en waarbij afwezigheid van exposure zelfs schadelijk kan zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor water, vitamines, en lichamelijke inspanning. Toch is het ook bij al deze dingen zo, dat een té hoge exposure ook weer schadelijk is. Als we het effect van zulke stoffen in een grafiek weergeven, krijgt dat een U-vorm. Tenminste in de toxicologie, waar negatieve effecten gemeten worden. Je zou de U ook kunnen omkeren natuurlijk, als je vooral van het positieve wilt uitgaan, maar dat doen we niet 😉

u-shaped-dose-response

Exposure aan fouten.

Zoals ik een beetje liet blijken uit mijn vorige blog, kreeg ik in mijn studie al snel te maken met een overmatige exposure aan het moeten maken van fouten. Dat is niet voor het eerst. Het lijkt erop dat ik nogal gevoelig ben voor fouten die ik maak.

Op zich is dat niet per se een ziekelijke afwijking. Het heeft zelfs het voordeel dat ik in principe minder en kleinere fouten hoef te maken om iets goed te kunnen leren. Bovendien zal ik sterk intrinsiek gemotiveerd blijven om fouten te vermijden, zodat ik in principe nauwelijks externe druk nodig heb om scherp te blijven.

Exposure aan fouten is ook wel te beschouwen als iets dat een u-vormige dosis-respons relatie heeft. Ook ik kan tot niks komen als ik fouten helemaal zou willen vermijden. Tegelijk zal ik ervoor moeten zorgen dat ik me niet laat vergiftigen door die overdosis, die al kan optreden terwijl er voor anderen nog niets aan de hand is. Daarbij moet ik enerzijds voorkomen dat dit ontaard in het nog verder versterken van mijn toch al veel te storende faalangst, en anderzijds dat het geen meedogenloze ophoping van overdoseringen wordt, die het ook alleen maar erger maakt.

Totale exposure.

Exposure blijkt nu echt overal te zijn. De dagelijkse spits van en naar Utrecht geeft mij bijvoorbeeld verhoogde exposure aan allerlei schadelijke stoffen die we in verband brengen met gezondheidsrisico’s. En stress. En reclame-auto’s waarvan ik kan aflezen dat reclame maken ook exposure is. Maar dat wist ik eigelijk al.

Als ik aan het koken ben produceer ik exposure, en bij het schoonmaken, terwijl je door te weinig schoon te maken uiteindelijk ook je exposure verhoogt. Enzovoorts, ik geloof niet dat er nog een einde zou komen aan een opsomming van exposures. Zo lang er leven is, is er exposure zal ik maar zeggen.

Ik heb dus een fantastische studie gekozen om mijn neuroticisme mee te cultiveren. Gelukkig is cultiveren toch heel iets anders dan oncontroleerbaar laten voortwoekeren. Dat zou gemakkelijk schadelijker kunnen worden dan alle risicoverhogende exposures bij elkaar!

Het zo goed mogelijk omgaan met alle exposures is dus niet alleen een wetenschap maar ook een kunst. Ik ben dus ijverig aan het oefenen, en bij de kunst hoort ook: Leven met al die exposures en met het verstandig vermijden ervan. Ondanks alles en dankzij alles, leven! Daar doe ik het voor!

overwinning op het rampjaar 2012

Leren (met) fouten maken, een probleem op zichzelf.

In mijn laatste blog schreef ik dat ik nieuwe dingen zou gaan leren door aan een masterstudie te beginnen. Ik voorzag daarbij ook de nodige problemen. Nu is het dan echt gaande. Zowel het leren als de problemen, toch nog intenser dan het van tevoren voor te stellen was.

Echt nieuwe dingen leren vind ik vooral leuk. Het grote probleem zit hem vooral in oude lessen, die ik niet goed genoeg geleerd heb. Daarbij is het meest basale waarschijnlijk het allerergste: Ik vind het nog altijd een grote ellende om met vallen en opstaan, door fouten, te moeten leren.

Het hele onderwijssysteem is daar echter wel op ingericht. Men denkt dat mensen van nature op die manier leren, zelfs bij intellectuele vaardigheden waarvan al precies bekend is hoe het moet.

Bij het leren van nieuwe motorische vaardigheden probeer ik mijn foutmarge altijd heel klein te houden, omdat ik voorzie dat bij te grote fouten serieuze ongelukken kunnen gebeuren. Vaak is dat zelfs echt waar, alleen gebeurt het in de praktijk naar verhouding tot het aantal pogingen dat mensen doen, niet zo vaak.

Bij intellectuele vaardigheden gebeuren niet direct ongelukken door fouten die je maakt tijdens het leren. Desondanks maak ik ook daarbij niet graag fouten. Volgens mij is fouten maken dan namelijk helemaal niet nodig. Het hele idee van dat iets “fout” is, lijkt me sowieso dat het iets is dat je wilt vermijden!

Het leren van vaardigheden die een theoretische basis hebben, werkt wat mij betreft zo: Iemand legt de theorie uit, en als dat goed gebeurd is, begrijp ik het. Als ik bovendien eventuele formules of regels die van toepassing zijn op het bewuste intellectuele gebied voldoende paraat heb, en voldoende geconcentreerd kan blijven, kan ik binnen het hele gebied waarop de uitleg die ik begrepen heb van toepassing is, foutloos werk leveren. Door te oefenen kan ik daar steeds sneller en handiger in worden, en zal het op den duur zelfstandig gaan toepassen buiten het gebied waar de uitleg over ging. Niet eerder dan op dit gevorderde niveau van zelfstandige creatieve uitbreiding, zijn fouten iets wat er noodzakelijk bij hoort. Als ik eenmaal op dat niveau bezig ben, vind ik het dan ook veel minder erg.

Maar inmiddels heb ik toch al door schade en schande moeten leren, dat het nastreven van een foutloos basisleerproces een nogal zelfdestructieve fout op zichzelf is geworden. Het blijkt hoe langer hoe minder realiseerbaar, en steeds problematischer in mijn leven.

Niet alleen zijn er schrikwekkende gaten in mijn basiskennis gevallen, zodat ik daar al lang niet meer op mijn manier op kan bouwen, terwijl het bovendien onbegonnen werk lijkt om het allemaal te gaan herstellen. Het is simpelweg niet hoe de meeste mensen onderwijs geven. Liever geven ze je wat losse flodders aan op zichzelf al bedenkelijk ogende basiskennis. Daarbij is direct inzichtelijk dat het nog niet het halve verhaal is, dat het geen aanknopingspunten geeft om complicaties op te lossen en bovendien meestal in tegenspraak is met zaken die je eerder geleerd hebt. Maar je zult het ermee moeten doen. Je wordt in het “diepe” gegooid, en mag daar van je fouten gaan leren. Je begripsvermogen legt zich in een onmogelijke knoop maar je hebt het ook niet nodig; begrijpen komt wel als je eenmaal een tijdje bezig bent, zo is de bedoeling.

 

Dan heb ik geen kennis van de tegenstander, de vluchtwegen zijn onduidelijk en bovendien geblokkeerd, en ik moet maar zien hoe ik dat overleef. Het schijnt dat ik iets met risico-inschattingen moet gaan doen. Met cijfers ook nog, en een vage notie waar ze vandaan komen en wat ze betekenen, die echter onmiddellijk verloren gaat zodra je de computer er iets mee laat doen. Mijn medestudenten lijken er ook niets van te begrijpen, maar gaan stoïcijns verder. Onbegrip en fouten maken lijkt ze niet te kunnen raken. Het is immers geen tentamen.

Het is onze basis om te leren hoe je risico-inschattingen maakt. Het lijkt me dat je maar beter goed kunt weten waar je risico-inschattingen op gebaseerd zijn, en hoe je kunt voorkomen dat je er fouten mee maakt.

Anders kom je later nog eens ijskoud met een foute risico-inschatting op de proppen, die gebaseerd is op cijfers die je zelf niet begrijpt. Maar het zijn cijfers en je hebt een wetenschappelijke methode gebruikt. Dus de richtlijnen gaan daar op gebaseerd worden. Je collega’s snappen er namelijk even weinig van, aangezien die op dezelfde manier geleerd hebben om fouten te blijven maken.

(Idiocracy rising!!!)

Je hebt een foute richtlijn geproduceerd die nergens op slaat omdat je zelf niet snapt wat je gedaan hebt, en mensen maken zich leven en werken zo goed als onmogelijk om een risico te vermijden dat helemaal niet echt bestaat behalve in jouw onzinnige berekening.

Of misschien heeft je onzinnige berekening geconcludeerd dat er geen risico is, zodat mensen die erop dachten te kunnen vertrouwen, argeloos dood gaan aan gruwelijke ziektes.

Op den duur leren mensen wel van hun fouten, en begrijpen dat ze in de praktijk niets hebben aan de schijnzekerheden die alle zonder begrip met getallen goochelende “experts” zoal produceren. Men houdt zich dus steeds minder aan de richtlijnen en er zijn regelmatig incidenten die prima voorkomen hadden kunnen worden. Vanwege de ziektes en incidenten worden de richtlijnen nog met een factor 10 aangescherpt, of weet je wat, met een factor 100.

Nu zijn de richtlijnen zo onwerkbaar geworden dat zeker niemand zich er nog aan houdt!

Natuurlijk gaat het aan alle kanten fout, maar dat is altijd de schuld van de betreffende persoon zelf; Zodra er iets fout gaat wordt de richtlijn waar niemand zich aan houdt van stal gehaald om de overtreder als schuldige aan te wijzen. Zo is de bevolking in de greep van ziekte en onrecht, en jij hoort bij de ware schuldigen!

Het is één van mijn “rampscenario’s” die mij storen bij het studeren, mogelijk wat dramatisch aangezet maar veel te realistisch ogend…

Maar ik ben aan het leren, en dat schijn ik te moeten doen door fouten te maken en door eerst te doen en daarna pas te begrijpen. Op zijn minst dàt probeer ik al te doen terwijl ik niet begrijp waarom het nu werkelijk nodig zou zijn. Behalve dan om de leerweg te kunnen blijven volgen die ik ingeslagen ben, de route die de anderen ook volgen…

Is het stigma, of is het wetenschap?

Op het eerste zicht lijken wetenschap en stigma zeer ver uit elkaar te liggen. Wetenschap baseert zich op feiten en logica, en velt principieel geen oordelen die zich daar niet rationeel uit laten rechtvaardigen. Terwijl een stigma precies een onrechtvaardig oordeel is, gebaseerd op beperkte kennis en geveld door negatieve emoties, eventueel geholpen door het rationaliseren van de beperkte kennis.

Desondanks zie ik wetenschap en stigma soms bedrieglijk dicht bij elkaar komen. Bijvoorbeeld bij het idee dat bij psychische aandoeningen sprake is van een in biologische aanleg aanwezig gebrek dat de emotionele stabiliteit ondermijnt. Daardoor zou ook als er geen sprake meer is van ziekte, toch een verhoogd risico blijven bestaan dat iemand weer ziek wordt. Er lijkt op zich redelijk geloofwaardige wetenschappelijke basis te bestaan voor dit idee, voor zover ik dat kan weten zonder er zelf wetenschappelijke expertise in te hebben.

Vanuit dit idee over verhoogde risico’s blijkt het nogal voor de hand te liggen om iemand te ontmoedigen die bijvoorbeeld na een psychische crisis nog een uitdagende studie wil gaan doen, of om zo iemand in ieder geval niet in een verantwoordelijke positie te willen, en hem of haar eigenlijk (onbedoeld) een volwaardig leven zo ongeveer onmogelijk te doen toeschijnen, aangezien alles wat hij/zij wil, opeens te hoog gegrepen zou zijn…En dat ervaar ik overduidelijk als stigma.

Desondanks zou het kunnen dat er inderdaad sprake zou zijn van een hoog risico, en dat daaraan gekoppelde oordelen niet onrechtvaardig zouden zijn.

Wat de wetenschap ons (niet) kan vertellen over de risico’s voor het individu.

De wetenschap kan bijvoorbeeld zeggen, dat mensen die ooit een depressie gehad hebben, een grotere kans hebben op een volgende depressie. Door een groot aantal mensen in de gaten te houden en zorgvuldig volgens wetenschappelijke methodieken incidenties te turven, kan men inderdaad een dergelijke uitspraak wetenschappelijk funderen.

Deze bevindingen gelden echter voor groepen mensen, waarbinnen vaak een aanzienlijke variatie bestaat. Het is dus niet wetenschappelijk verantwoord om deze bevindingen zomaar terug te projecteren op een individu.

Bovendien zijn dergelijke incidentiecijfers lang niet voldoende om uitspraken te kunnen doen over de oorzaken. En zonder kennis van de oorzaak, wordt het nog moeilijker en onwetenschappelijker om nog iets zinnigs te zeggen over de risico’s voor een individu.

Naast het idee van de onderliggende biologische gevoeligheid voor depressies, liggen wat mij betreft nog heel andere oorzaken voor de hand. Waarvan ik niet uit wetenschap weet, maar uit eigen ervaring en contact met andere mensen met ervaring.

Ten eerste: Behandeling van een depressie bestaat al te vaak alleen uit psychologisch een beetje pappen en nathouden in combinatie met nadruk op medicamenteuze behandeling. Dit terwijl er (volgens mij) onderliggend vaak veel meer dan een biologische kwestie, een existentiële kwestie speelt. De persoon met een depressie weet zich niet goed te verhouden tot het eigen leven, is op een verkeerd spoor geraakt, en heeft nieuwe vaardigheden, andere ervaringen, een nieuw perspectief nodig. Soms wordt daar wel aan gewerkt tijdens de depressie en het herstel daarvan, maar soms ook niet. De mensen bij wie het niet gebeurt of bij wie pogingen daartoe niet slagen, zijn na hun eerste depressie eigenlijk niet genezen, maar alleen weer even een beetje opgelapt. Zij krijgen zo goed als zeker een volgende depressie, maar dat is gewoon dezelfde depressie! Echter in de cijfers tikt het lekker aan op deze manier.

Ten tweede: Het algehele ontmoedigingsbeleid, gebaseerd op het “wetenschappelijk gefundeerde” idee van een onderliggende biologische kwetsbaarheid, die een verhoogd risico zou blijven vormen. Dit heeft het in zich om een self-fulfilling prophecy te worden. Mensen, óók gezonde en zelfstandige mensen, zijn gevoelig voor elkaars oordeel, en ik betwijfel of de psychische gezondheid van de meeste “gezonde” mensen zou standhouden als zij geconfronteerd zouden worden met de oordelen die iemand over zich heen krijgt als eenmaal bekend is dat er sprake zou zijn van een psychische stoornis. Ik heb dus een sterk vermoeden dat stigmatisering een vrij grote bijdrage levert aan de ongunstige cijfers die de wetenschap kan vaststellen voor mensen die ernstige psychische problemen gehad hebben.

Daarbij is het niet eens zo eenduidig dat biologische of zelfs genetische gegevens altijd tot onveranderlijke eigenschappen zouden leiden.

Vanuit de wetenschap zijn er de afgelopen tijd steeds meer aanwijzingen gekomen dat de hersenen toch meer aanpassings- en veranderingscapaciteit hebben dan ik nog geleerd heb in de biologieles.

In ieder geval is mijn eigen emotionele stabiliteit geen absoluut onveranderlijk gegeven, aangezien deze nog dramatisch veel slechter geworden is in de periode dat ik behandeld werd voor een onjuiste diagnose, terwijl er daarna juist duidelijke verbeteringen in gekomen zijn. Weliswaar is deze dynamiek moeilijk te onderscheiden van symptomen van de “ziekte” zelf die nu minder worden door “genezing”.

Wat dat betreft is het begrip van wat “ziekte” is, en wat de “symptomen” daarvan zijn en wat bij de “oorzaak” hoort, sowieso nog rampzalig slecht te onderscheiden in de psychiatrie met dank aan het DSM-systeem.

Ook dit bemoeilijkt het gebruik van “wetenschappelijke” bevindingen nogal. Zo worden er “ziektes” onderzocht waarvan feitelijk niet eens zeker is of ze wel bestaan als zodanig. Het valt dan al niet mee om duidelijke resultaten te krijgen, maar soms worden er toch afwijkingen aan de hersenen opgemerkt bij onderzoek aan mensen met een psychiatrische diagnose. Zo lang deze afwijking echter niet consistent en specifiek aanwezig is bij alle personen met een bepaalde diagnose, is het onwetenschappelijk om te beweren dat als iemand symptomen vertoont waarmee de diagnose via de DSM binnengeharkt kan worden, die persoon dan dus ook de afwijking in de hersenen zou hebben die men bij onderzoeken naar die diagnose wel eens gezien heeft. Toch wordt dit vaak moeiteloos en met groot gezag zo gesteld.

Ervaringskennis heeft ook iets toe te voegen.

Los van statistiek en speculaties over hersenplaatjes is het voor mij persoonlijk duidelijk genoeg dat er veel verandering mogelijk is in mijn gedrag en psychische toestand, al zie ik ook al te goed dat ik in sommige opzichten steeds maar niet schijn te kunnen veranderen. Dit is iets dat ik over het algemeen bij andere mensen ook terugzie. Soms valt daarbij op dat vanuit het ene perspectief alleen maar ellende, en vanuit een ander perspectief spectaculaire verbetering te zien is.

Eigenlijk bestaat er geen goed recept om menselijke ontwikkeling te voorspellen of zelfs in een met zekerheid gunstige richting te sturen, en dit maakt leven en ontwikkeling van mensen erg spannend. Maar door verbeterde zelfkennis en levensvaardigheden kan iemand de eigen psychische gezondheid wel degelijk relatief veilig leren stellen ondanks oorspronkelijk aanwezige riskante (biologische) eigenschappen. Mogelijk heeft zo iemand in vergelijking met een ander, die van nature een gunstiger biologisch profiel voor psychische gezondheid had, en nooit aan zichzelf heeft hoeven werken, zelfs een lager risico en vooral ook meer inzicht en mogelijkheden!