“Herstel” en mijn herstart in de wetenschap.

Ondanks al mijn goede moed en enthousiasme, kan ik voor mezelf niet ontkennen, dat ik nog flink wat angst heb voor de aankomende start van mijn studie “Toxicology & Environmental Health”. Na een aantal jaren psychiatrie is er bij terugkeer in de maatschappij een heel spanningsveld ontstaan waar je ook nog eens niet zomaar met iedereen over kunt praten.

Als ik niet in het verleden al geschreven had over mijn ervaringen met psychiatrie en aanverwante zaken, zou ik het op dit moment denk ik ook niet het risico waard achten om “uit de kast te komen” op internet. Maar nu wil ik toch graag waar ik kan met mijn schrijven een beetje het pad verlichten van wie, zoals ik zelf, uit de totale duisternis terug het leven en daarbij zelfs “de maatschappij” in probeert te komen…

Sinds mijn crisis lijken verwachtingspatronen over mijn academische prestaties radicaal omgekeerd. Er zijn nog enkele mensen die mij wat beter kennen, die er nog heel wat vertrouwen in stellen, maar er zijn ook mensen die sinds de crisis enorm skeptisch geworden zijn over mijn mogelijkheden. Zelfs mensen die me helemaal niet kennen, maar wel enkele feitjes bezitten over mijn psychische gezondheid en/ of oordelen van anderen daar over, hebben zich vaak erg stellig uitgesproken met in mijn beleving zeer negatieve verwachtingen.

Tijdens mijn re-integratietraject en later bij een telefoongesprek met het UWV, waarbij het over mijn studieplannen ging, werd bijvoorbeeld gezegd: “Eerst maar eens zien of dat niet maar wat wilde plannen zijn”, en “Heb je al besproken of dat wel haalbaar is?”

Terwijl ik dacht: “Wilde plannen? Ik heb geen conservatiever en veiliger plan kunnen verzinnen….” en “Waar zou ik in vredesnaam iemand vandaan moeten halen die beter kan weten of het haalbaar is, dan ik zelf?”

Maar zelfs al ben ik het er niet mee eens, de zelftwijfel die ik vaak toch al wat teveel heb, is flink aangewakkerd met zulke suggestieve vragen, en laat me niet gemakkelijk meer los.

Net als de stereotype dooddoener van opname afdelingen en dagbesteding “Je zit hier niet voor je zweetvoeten”. Erg kortzichtig vond ik die. Ik zat daar inderdaad niet voor mijn zweetvoeten, maar door een verkeerde diagnose en de schade die een daarop gebaseerde behandeling had aangericht.

Maar toch…

Ook een verkeerde diagnose komt ergens vandaan, en niet doordat ik geen klachten gehad zou hebben…Daarbij kan ik de schade van de verkeerde behandeling ook niet ontkennen…Alleen al het feit dat sommige mensen mij blijkbaar met zoveel zekerheid zien als een nogal ernstig gestoord geval bij wie het ook geen belediging, maar realistisch en zorgzaam is om zulke dingen te zeggen…

…Laat ik ook zeker maar niet alles en iedereen gaan citeren die zulke dingen gezegd heeft, anders wordt het straks nog te geloofwaardig dat ze wel gelijk gehad zullen hebben!

De laatste hulpverleners die ik gesproken heb, en andere mensen door wie ik me redelijk goed begrepen gevoeld heb de laatste tijd, vonden wel dat ik mezelf niet zou moeten zien of presenteren als iemand “met beperkingen”. Zelf geloof ik ook niet echt, dat ik zoveel meer beperkingen zou hebben dan de gemiddelde ander. Maar daarmee zijn de problemen nog niet weg, of zelfs maar onzichtbaar geworden voor anderen…

Zo heb ik dus alles bij elkaar nog vrij sterk de neiging, om mezelf enorm veel druk op te leggen om met zekerheid te voorkomen dat de beperkingspredikers gelijk zouden krijgen, of dat nieuwe mensen met wie ik in contact kom, mij ook weer al te ernstig gestoord zullen gaan vinden. Ik moet dus perfect presteren en perfect normaal doen!

Dat is precies mijn perfecte valkuil, waarmee ik mijn eigen graf zo goed kan graven: Ik jaag mezelf angst aan omdat ik geen angst mag tonen. Dat is toch iets dat ik zou willen vermijden, ware het niet dat vermijdingsmotivatie op zichzelf alweer angst in zich besloten heeft liggen!

Was het trouwens niet om te beginnen al uit angst dat het intellectuele het enige is dat ik nog enigszins kan, dat de wetenschap nu toch de minst onveilige keuze leek?

Daarbij ben ik met dit conservatieve plan een aardig eind op mijn eigen schreden teruggekeerd, terwijl ik toch intussen de hele wetenschap en academische wereld al lang achter me afgefakkeld had? (Zie Wetenschap en Waarheid, Is filosofie compatibel met mijn vrije wil)

Het valt te vrezen dat ik er ten onder zal gaan aan rationaliseringen, en anders wel aan veroordeeld worden voor irrationalisme. Daarbij nog al het doodsaaie en toch nog op mijn zenuwen werkende precisiewerk, enzovoorts….

Is er eigenlijk wel werkelijk leven in de “life sciences”?

…Een vraag die een bodem raakt…

Ik kwam een uitspraak van Richard Feynman tegen, die ik heel toepasselijk vind:

I have a friend who’s an artist, and he sometimes takes a view which I don’t agree with. He’ll hold up a flower and say: “Look how beautiful it is”, and I’ll agree. But then he’ll say: I, as an artist, can see how beautiful a flower is. But you, as a scientist,take it all apart and it becomes dull.” I think he’s kind of nutty. There are all kinds of interesting questions that come from a knowledge of science, which only adds to the excitement and mystery and awe of a flower. It only adds. I don’t understand how it subtracts”.

20130617_175123

Mijn negatieve visie op de wetenschap, is de manier waarop die kunstenaar het bekijkt. Maar de visie van Feynman leeft ook in mij. Behalve dan dat ik wèl zie hoe wetenschap afbreuk kan doen. Maar wetenschap hoeft geen afbreuk te doen aan de levendigheid van ervaring, en kan daar zelfs aan toevoegen!

 

Wat dat betreft heb ik wel een tak van wetenschap gekozen die zich niet direct richt op de meest aangename kanten van het leven. Maar die wel kan helpen om leven en gezondheid te beschermen, en die ik bovendien enorm interessant vind!

Zo ben ik terug op mijn “oude” weg, de wetenschap, na het maken van duistere en vernietigende, maar later ook weer leven brengende omwegen. Ik ben niet gestorven, maar er niet zo zeker van dat ik sterker geworden ben. Wel heb ik veel geleerd, en mijn weg vervolgend zal ik nog heel veel nieuwe dingen kunnen gaan leren, die ik voorheen nog niet geleerd heb…

Advertenties

Wanhopige werkperspectieven.

Ten opzichte van werk voel ik me diepgaand geconflicteerd. Niet verwonderlijk aangezien ik diepgaand geconflicteerd tegenover het leven zelf sta. Maar er is een verschil tussen mijn houding tegenover het leven, en die tegenover werk. Ik weet inmiddels weer zeker dat ik wil leven, maar ik ben steeds meer gaan twijfelen of ik nog wel wil werken.

In principe wil ik enorm graag werken, en heb daar een hopeloos geïdealiseerd beeld van. Ik zie het als een soort levensvervulling. Iets waarin je jezelf realiseert, je kwaliteiten ontwikkelt, vormgeeft en materialiseert op een manier die waardevol is voor anderen. Die waarde wordt vervolgens in deze op geld drijvende maatschappij aan je uitbetaald in de vorm van geld.

Het niet hebben van werk is nu dus een groot existentiëel probleem voor mij. Tijdens mijn crisis ben ik uitgerangeerd naar de Wajong. Dit geeft mij het gevoel dat de maatschappij min of meer definitief besloten heeft dat ik niet van waarde ben, en geen kwaliteiten heb die ertoe doen. Dit in tegenstelling tot het idee dat ik juist geld krijg van de overheid omdat ieder mens iets waard is, zelfs zonder te kunnen werken. Ik ben gereduceerd tot de restwaarde van een gebroken mens, gebaseerd op niets meer en niets minder dan medelijden. Ik kan er niet dankbaar voor zijn zonder me tegelijk nog veel sterker schuldig en gefaald te voelen.

Gelukkig bestaat er ook niet-financiële medemenselijkheid, en kan ik met andere mensen over deze gevoelens praten. Er zijn genoeg lotgenoten in het GGZ die net als ik uitgerangeerd zijn. Veel van hen blijken er schrikwekkend veel vrede mee te hebben. Het scheelt denk ik dat de meeste mensen om te beginnen al niet het idee hadden dat werk de ultieme mogelijkheid biedt om je leven zin te geven, maar het vooral zien als een manier om aan geld te komen. Als je een uitkering hebt, heb je ook geld, weliswaar niet heel veel maar er valt mee te leven. Verder heeft het niet veel zin om je druk te maken, want zij kunnen echt niet werken en worden bijvoorbeeld weer psychotisch als ze het wel zouden doen. Bovendien, wat wil ik eigenlijk in die materialistische rat-race? Niemand heeft toch zin om zich af te beulen om aan de harde eisen van de maatschappij te voldoen? Moeten werken is toch juist iets dat verhindert dat je zin in het leven kunt hebben!

00-Rat-Race-Wheel-Man-and-Woman-250high

Dan praat ik maar met hulpverleners. Het is ook niet handig om het te vragen aan mensen die de strijd tegen hun ziekte al verloren hebben, of er net als ik nog midden in zitten. Hulpverleners hebben ervaring met het verloop van zulke dingen bij hun patiënten, en kunnen er van een afstandje analytisch naar kijken. Toch blijkt geen enkele hulpverlener zich te willen branden aan duidelijke uitspraken over mijn toekomstperspectieven op werkgebied. Ik moet me eerst richten op het hier en nu, op mijn behandeldoelen, en op dingen die mij plezier en ontspanning kunnen bieden. Ik leg de lat altijd zo enorm hoog, en leg mezelf veel teveel druk op.

Volgens mij ontstaat die druk geheel vanzelf, als een natuurlijk gevolg van mijn langdurig onvervulde behoefte aan een werkelijk zinvolle invulling van mijn bestaan. Ik vind het onderhand heel erg storend worden, dat het GGZ mijn perspectief steeds lijkt te willen beperken. Weliswaar zeggen ze niet hard dat ik bepaalde dingen echt niet zal kunnen. Toch geeft de manier waarop het hele onderwerp steeds buiten beeld gehouden wordt, mij het gevoel dat volwaardig werk vanuit mijn huidige positie ongeveer even realistisch is geworden als het winnen van de Nobelprijs was, in de tijd dat ik nog studeerde.

Als studenten grapten we tijdens practica wel eens over de Nobelprijzen die we gingen winnen. Dat ik mijn MSc wel zou gaan halen, leek toen nog zo goed als zeker. Ik had toen weliswaar ook al psychische klachten, maar ik leek voldoende capaciteiten te hebben om met wat goede wil echt wel zinvol werk te kunnen doen in het wetenschappelijk onderzoek.

Na mijn crisis moest ik daarentegen genoegen nemen met “dagbesteding”. De term alleen al lijkt mij vervuld te zijn van een vreeswekkende leegte. Een manier om te tijd te doden, maar met zo’n diepgaand gevoel van zinloosheid en minderwaardigheid, dat het mij veel redelijker toescheen om jezelf te doden.

Ik heb direct aangedrongen op een re-integratietraject bij het UWV. “Van nog langer uitgerangeerd blijven, zal mijn emotionele stabiliteit niet gaan verbeteren”, schreef ik aan het UWV. Ik heb mijn re-integratietraject gekregen, maar na ruim anderhalf jaar ben ik daar maar schrikwekkend weinig mee opgeschoten. Ik begin nu dus te vrezen voor een vruchteloos einde van het traject. Voor altijd in de lege zinloosheid van arbeidsongeschiktheid te blijven hangen, of door het UWV met een schop onder mijn kont verwezen te worden naar dodelijk saai werk inclusief betutteling door een werkomgeving die mij als een patiënt ziet.

Vrijwilligerswerk kan ook heel zinvol zijn. Alleen geloof ik niet dat vrijwilligerswerk voor mij persoonlijk veel minder psychisch belastend zal zijn dan betaald werk. En dan zie ik het niet ervoor betaald worden niet zo zitten. Ik ben best bereid om iets gratis te doen als ik er zelf achter sta of voor iemand die ik dat gun, maar ik vind het niet juist als ik structureel niet betaald zou worden voor werk, en overigens wel een uitkering ontvang uitsluitend door de nutteloze neuroot uit te hangen.

Ik wil dus nog steeds wanhopig graag streven naar een volwaardige en zinvolle, betaalde baan. Toch voel ik ook de verleiding om aan de weerstand toe te geven. Me bij mijn medepatiënten te scharen die vinden dat zij echt niet kunnen werken, zelfs rust en vrijheid ervaren door niet meer te hoeven werken. Want ja, ik vrees ook voor ondraaglijke werkdruk en wantoestanden in de “rat-race”, en daarbij nog het risico om ook in werk mijn streven nooit te vervullen en slechts een loonslaaf te worden. Ik vrees de dreigende mislukking, de mogelijkheid dat ik me in werk nogmaals te pletter zal lopen tegen mijn eigen beperkingen, of tegen de beperkingen van de maatschappij, wie zal het zeggen…