Wanhopige werkperspectieven II

Ondanks een zware periode in de psychiatrie en bij behorende ontmoediging had ik dus weer een masterstudie opgepakt. Daarmee leken mijn werkperspectieven alweer een stuk beter. Het oppakken van een studie was zo tenminste al niet meer even onrealistisch als een Nobelprijs winnen voor een normale, “gezonde” student. Zelfs heb ik al een aantal mooie cijfers gehaald, waaronder met lof voor mijn ‘master thesis’ van een professor die regelmatig in het nieuws mag praten over toxicologie; en een stageplaats verworven bij een bekend instituut waarvan ik de naam niet zal bezoedelen door de mijne eraan te verbinden. Mijn stagebegeleider daar is intelligent, begripvol, heeft humor en wil mij de ruimte geven om me te ontwikkelen.

En toch. De wanhoop heeft opnieuw toegeslagen, ik kan het niet langer ontkennen. Bij colleges en het schrijven van de master thesis had ik er al last van, en nu weer, alleen nu trek ik het onderhand niet meer, na bijna een jaar er tegen gevochten te hebben. Zowel “er” tegen als tegen mezelf, niet wetend wie of wat er nu precies overwonnen moet worden.

In colleges stel ik teveel vragen naar de fundamenten van wat we leren, die uiteindelijk altijd in een ander vakgebied blijken te liggen (zoals de statistiek), of uit heel erg specialistisch onderzoek afkomstig zijn, zodat we ons daar maar niet druk over moeten maken. Het is consensus en dus is het goed, dat argument mag je zelfs gebruiken in schrijfopdrachten en presentaties. Ikzelf ervaar blijkbaar een diep geworteld wantrouwen tegen de consensus zo lang ik niet weet waar die op gebaseerd is, wat vaak alleen maar erger wordt zodra ik de klok heb horen luiden over waar die op gebaseerd is, maar nog niet weet waar de klepel hangt. Voor mijn master thesis ben ik gaan zoeken naar zo’n klepel (de wetenschappelijke basis van de omrekeningsfactor van dierproeven naar mensen). Het kwam er een beetje op neer dat er geen klepel was, maar dat de klok toch luidt omdat iemand er rond 1950 een schop tegenaan gegeven heeft en men sindsdien meent dat dit de manier is….In het geval van mijn master thesis was het blijkbaar wel weer heel prijzenswaardig om niet te vanzelfsprekend mee te gaan met gevestigde praktijken, maar ik begin me toch af te vragen hoe ik nog professional kan worden in een vakgebied waarvan ik de funderingen al wantrouw voor ik ze goed en wel geleerd heb.

Het is sowieso een heel werk om erachter te komen wat nou echt de basis van iets is. Natuurlijk, ik wilde toch ook werk? Maar het is voor een groot deel helaas stomvervelend werk, waarbij ik er tegenaan loop dat ik blijkbaar een beperkte tolerantie heb voor academische teksten. De rijstebrijberg aan publicaties waar je je doorheen moet werken om iets gefundeerd te kunnen zeggen, lijkt daarentegen zo goed als onbeperkt. Zo snijdt de publicatiedruk aan twee kanten: voor de mensen die moeten publiceren is het om gek of frauduleus of iets daar tussen in van te worden, en voor iemand die het allemaal moet lezen eveneens. Niet alleen is het heel véél, het is ook enorm droog, in de meeste gevallen ongeïnspireerd en matig van kwaliteit en lijkt als produkt al te vaak op half verteerde en terug uitgebraakte varianten en combinaties van wat anderen al geschreven hadden, of zelfs van wat ze zelf al eerder geschreven hadden.

Tot misselijkheid toe in herhaling vervallend en naar elkaar verwijzend dus, en het is blijkbaar de bedoeling dat ik dat allemaal opvreet en dan weer bewerkt terug uitkots. Qua misselijkheid moet dat kotsen te doen zijn, maar helaas is het toch wel nodig om enige rationaliteit en concentratievermogen te behouden om een acceptabel stuk te produceren, waar zeker geen misselijkheid aan af te lezen mag zijn. Wat dat betreft is het wel degelijk een hele kunst om te leren.

Daarbij heeft ook nog eens iedere expert zijn eigen vierkante micrometer of kleiner nog, en kan eigenlijk niks zeggen over de micrometers ernaast laat staan verderop (vinden ze zelf vaak, weliswaar mede uit respect naar collega’s), wat het zelfs nog meer tot een enorm energievretend geduldwerk maakt om tot een sluitend totaalbeeld te komen. Hierbij loop ik eerlijk gezegd ook tegen de grenzen van mijn eigen verstandelijke vermogens aan, wat weer een uitstekende aanleiding is om te gaan panikeren over een mogelijke “enge hersenziekte” en/of de vraag of mijn intelligentie niet al zo ongeveer mijn hele leven enorm overschat is. De enige troost daarin is dan, dat het feit dat wetenschappers hun gebiedjes zo klein afbakenen er ook op wijst dat hun eigen verstandelijke vermogens waarschijnlijk ook onvoldoende waren om een groter gebied tot in de diepte te begrijpen. Hoewel dat een geruststellend idee is ten aanzien van de gesteldheid van mijn eigen brein, is het juist verontrustend als het om de wetenschap gaat. Het betekent dat er waarschijnlijk niemand is die zowel het overzicht heeft als de diepte begrijpt, en dit schept enorme mogelijkheden voor misverstanden.

Onderhand helemaal daas van de overdosis aan pogingen tot rationele activiteit begin ik me dan toch weer af te vragen of de wetenschap nou eigenlijk wel zo’n goede keuze voor mij was. Zo ben ik weer een beetje terug bij het perspectief van eerdere blogs waarin ik de wetenschap een beetje afbrandde. Maar dan denk ik ook weer aan wat ik schreef over mijn terugkeer tot de wetenschap, waarbij ik me liet inspireren door Richard Feynman, die aan zijn vriend de kunstenaar uitlegde dat de wetenschap niet tot levenloze abstracties leidt, maar juist tot een verrijking van de levende werkelijkheid. Ik geloof nog steeds wel dat Feynman daarin gelijk heeft, maar ik voel het niet als ik wetenschappelijk werk doe. Daarvoor worden de levendige essenties van kennis die ergens in de wetenschap verborgen liggen, toch teveel bedolven onder de eindeloos voortwoekerende grauwe brij van woorden, cijfers en tabellen.

Tenminste, dat is toch wat het wordt voor mij als ik er te lang en te veel mee bezig moet zijn. Misschien ben ik in de aard dan toch meer kunstenaar dan wetenschapper? Ook al is er voorlopig nog geen kunst die ik beheers, mis ik tot nu toe echt de passie en de drive daarvoor (anders had niemand me toch tegen kunnen houden om me daarin te ontwikkelen), zou ik nog niks weten te verkopen al maakte ik wel echte kunst, en ben ik regelmatig geneigd te denken dat ik me daar toch zeker ook niet op kan storten in de aanwezigheid van de onopgeloste wereldproblematiek? Of ben ik dan dus toch vooral een ‘wereldverbeteraar’, een brenger van veranderingen? Hoe kansloos dat ook lijkt bij mijn persoonlijkheid en vooral ook gezien het feit dat ik als puntje bij paaltje komt niet eens meer zo zeker weet wat er dan precies zou moeten veranderen aan de wereld wil het een verbetering zijn en waar ik in de eerste plaats het lef vandaan haal om te denken dat ik iemand ben die dat beter zou kunnen weten dan al die mensen die het niet zo nodig vinden of er andere ideeën over hebben…Of dan toch, blijkbaar, alleen maar een betreurenswaardig psychiatrisch geval dat nu eenmaal geen duurzaam inzetbare arbeidsvermogens heeft?

Intussen heb ik al bestraffingen van het UWV ontvangen omdat ik wel iets van werk gedaan heb en daarvoor betaald heb gekregen. Ook zijn ze van plan om me volgend jaar extra te gaan korten vanwege mijn arbeidsvermogen, waarbij ze dan wel weer beweren dat ze me willen gaan helpen om werk te vinden. Voorlopig heb ik daar een hard hoofd in. Vanuit het eerdere re-integratietraject, en ook mijn pogingen om bij de carreer office van de universiteit aan betere en helderdere perspectieven te komen, krijg ik eigenlijk dat indruk dat werk dat werkelijk bij mij past, niet bestaat, en dat ik in principe ook nergens geschikt voor ben als ik er niet in slaag om radicaal te veranderen. Bijvoorbeeld door minder wantrouwend te staan tegenover de consensus, door te leren mezelf positiever en enthousiaster te verkopen (zonder per se inhoudelijk genoeg te bieden te moeten hebben dat ik daar zelf ook echt achter kan staan), een eindeloze tolerantie op te bouwen voor saaie en weinig zeggende publicaties (en saai en nutteloos werk in het algemeen), en mijn eigen gebiedje te leren afbakenen zonder me er nog zorgen over te maken of al die losse lapjes onderzoek nog wel genoeg op elkaar en op de onderliggende werkelijkheid aansluiten om nog zinvolle betekenis te hebben anders dan als materiaal om interessant mee te doen naar vakgenoten en geldschieters. Volgens mij vergooi ik dan net de kwaliteiten die ik nog wel heb, in het mij onwaarschijnlijk voorkomende geval dat het me werkelijk zou lukken om zoveel te veranderen.

Een aantal van de veranderingen die ik nodig denk te hebben zouden wel echte verbeteringen zijn ook naar mijn eigen oordeel. Zoals mijn sociale angst echt helemaal overwinnen zodat dat verder geen probleem en geen bron van stress meer is, en net wat beter zijn in het incasseren van mislukkingen en fouten waardoor ik meer durf en meer ruimte heb voor passie en creativiteit waardoor er veel meer mogelijk zou zijn. Maar dat is al zo lang en hardnekkig een probleem, waarvoor ik zelfs al behandeling heb gehad bij de GGZ, dat ik me bijna niet meer kan voorstellen dat het me echt nog kan lukken. Waarschijnlijker lijkt vanuit mijn huidige gemoedstoestand sowieso dat ik uiteindelijk toch wel terug zal afglijden tot psychiatrisch geval zonder toegevoegde waarde (Er zijn zeker ook psychiatrische patiënten die wel een grote toegevoegde waarde hebben! Maar voor mezelf valt me echt psychisch ziek voelen toch wel sterk samen met niet productief kunnen zijn). Het moet ook anders kunnen, vind ik, maar ik zie het (nu /nog?) niet…

Advertenties

Abnormaliteit en lijdensdruk: Waar begint de ziekte?

Een van mijn allereerste blogs, dat ik schreef op de site van Orange Monday nog voor ik dit eigen blog begon, was: “Niet normaal volgens de normale verdeling”. In dit blog verdedigde ik dat niet iedere vorm van afwijken van het gemiddelde in de psychiatrie tot ziekte gebombardeerd zou mogen worden, terwijl dit veel te vaak wel gebeurt. Het thema sloot wonderwel aan op een artikel dat psychiater Menno Oosterhoff kort tevoren in de krant geschreven had.

Even wonderwel kreeg ik zelfs reacties van Menno Oosterhoff op dat blog. Ik gloeide van opwinding. Maar ik werd er toch ook wel erg nerveus van: Wat zou ik dan weer op die reacties reageren? Waarbij vooral duidelijk moest blijven dat ik prima bij mijn verstand was. Ik ging het opnemen voor de hele groep mensen die tot patiënt bestempeld zijn en daarmee niet meer voor vol aangezien worden: Psychische problemen hebben betekent niet dat je achterlijk bent of een tekort aan zelfreflectie hebt.

Maar wat heb ik daar willen verdedigen? Dat ik niet ziek ben? Weet ik dat zelf eigenlijk wel zo zeker, of is het vooral een geraffineerd verpakte maar in de aard uiterst absurde ontkenning? Met als hoofdargument dat ik “alleen maar statistisch abnormaal ben in zenuwachtigheid”? Het zal wel uit medelijden geweest zijn, dat Oosterhoff dat niet direct afgebrand heeft?

Het was zeker prettig destijds om er met mijn toenmalige eigen psychiater zo vrij over te filosoferen, en ik geloof nog steeds dat hij in belangrijke opzichten gelijk had. Maar voor wie echt lekker stabiel in het huidig psychiatrisch paradigma zit, zal het wel het grootste onzinargument ooit zijn.“Zenuwachtigheid” is immers een symptoom, een storende psychische klacht op zichzelf, en zeker als het in abnormaal hoge mate aanwezig is. Weliswaar is niet direct duidelijk van welke ziekte het een symptoom is, maar daar kunnen ze snel genoeg achter zijn door nog wat door te vragen.

Wat dat betreft denk ik ook dat ik het er bij nader inzien niet bij moet laten zitten dat ik “nu eenmaal extreem zenuwachtig ben”: Hoewel ik veel temperament- en andere eigenschappen heb die zenuwachtigheid kunnen faciliteren, lijkt het mij niet waar dat ik als een gefixeerd statistisch gegeven altijd aan de extreem hoge kant daarvan moet zitten.  Daarin was het plaatje dat mijn psychiater me voorspiegelde dus toch weer niet zó helpend, want het gaf mij de neiging me achter mijn “zenuwachtigheid” te verstoppen zoals ik veel mensen zich ook achter een eenmaal gestelde DSM-diagnose zie verstoppen.

Mijn anders-zijn geformuleerd als statistische afwijking in zenuwachtigheid valt binnen het psychiatrisch paradigma dus wel degelijk te herleiden tot een psychiatrische ziekte. Het is in de medische wetenschap zeker geen uitzondering als een “statistische afwijking” direct of indirect naar een echte ziekte verwijst. Zelfs bij het voorbeeld van lengte dat mijn psychiater destijds gebruikte, dat mij in eerste instantie een vrij neutraal voorbeeld leek, kan vanuit een medisch perspectief anders gekeken en geoordeeld worden: Extreem korte en extreem lange mensen hebben een “groeistoornis”…

Zo begon ik mij langzaam aan af te vragen of het dan soms toch waar is, dat alles wat extreem ver van het gemiddelde afwijkt een ziekelijke afwijking moet zijn. In de meeste gevallen van afwijkingen die wel functioneel zijn, zoals lang zijn voor een basketballer, gaat het toch om afwijkingen van het gemiddelde die niet tè extreem zijn. Afwijkingen waardoor iemand iets extreem goed kan, zullen minder snel onder het ziekte-begrip vallen: Extreem hard kunnen sprinten, extreem intelligent zijn. Tenzij de daarvoor benodigde eigenschappen ook nadelen zouden hebben die zo groot zijn of zodanig van aard, dat het voordeel het niet kan compenseren…

Hoe dan ook is het zeker niet voor niets geweest dat ik überhaupt de psychiatrie opgezocht heb. Ik heb echt wel ergens last van, en ik wilde er heel graag mee geholpen worden! Er valt ook echt te vrezen dat ik geen volwaardig leven kan hebben met deze problemen!

Nu ik eenmaal geleerd heb om mijn moeilijke ervaringen en afwijkende gedragswijzen als symptoom te herkennen, kan ik er niet echt meer omheen dat ik inderdaad “ziek” moet zijn (binnen het huidig psychiatrisch paradigma.)

Desondanks heeft het mij niet echt geholpen om het als ziekte te beschouwen en te laten behandelen. Om te beginnen werkt de interpretatie van mezelf als gestoord en ziek persoon zeer schadelijk in op mijn zelfvertrouwen en stemming. Het Nocebo effect van het hebben van een diagnose!

Een behandeling moest dus wel extreem effectief zijn, om dat nog te kunnen compenseren. In werkelijkheid was de effectiviteit van geboden behandelingen over het algemeen matig tot nihil.

Voor zover hulpverlening mij iets van hulp heeft kunnen bieden, had dit strikt genomen weinig met het behandelen van ziekte per se te maken. Het ging vooral om contact maken, en om helpen herstellen van enig vertrouwen in mezelf en de medemens.

Al zijn dit vaker belangrijke thema’s bij het behandelen van persoonlijkheidsstoornissen en andere psychische “ziektes”, lijkt het me hier toch te gaan om tamelijk universele menselijke behoeftes. Ook al die mensen die (nog) niet formeel “ziek” zijn maar toch, ieder op zijn eigen manier en intensiteit, worstelen met zichzelf en hun omgeving, kennen deze behoefte.

Het verschil is vaak dat zij in hun eigen omgeving daarvoor voldoende sociale steun hebben, om het vol te houden en niet “ziek” te worden, zodat zij niet genoodzaakt zijn hiervoor professionele hulpverlening te zoeken. Bij de meeste mensen heb ik niet zo zeer de indruk dat zij werkelijk zoveel betere en flexibelere coping vaardigheden zouden hebben dan iemand met een persoonlijkheidsstoornis. “Beter” wel in de zin van: Het werkt. Het is voldoende, het is goed aangepast aan hun omstandigheden; Ze kunnen er bevredigend mee leven, vooral zo lang het lukt om ongeveer dezelfde omstandigheden te handhaven of om vloeiend mee te stromen met de “kudde” als er veranderingen zijn.

Veel meer is het niet voor de grote, niet-zieke middenmoot. Ook veel van hen ervaren een zekere lijdensdruk onder de verplichting om normaal te zijn en te blijven. Ze weten dat als ze niet “gek” of “ziek” willen worden, ze dus “normaal” zullen moeten blijven doen…