WAT mag eigenlijk “werkelijk leven” heten?

Een aantal keren al, heb ik geschreven over “leven” als zijnde iets dat ik nog moet leren, waarvoor ik angsten moest overwinnen, en zelfs als iets dat onmogelijk leek, iets dat ik bij volledig bewustzijn toch verloren kon hebben.

Het is tegenwoordig vrij gebruikelijk om het woord “leven” in een dergelijke betekenis te gebruiken, verwijzend naar iets anders dan wat het in zuiver biologische zin betekent. Het idee dat je niet echt “leeft” als je bijvoorbeeld niet tot het uiterste gaat, niet geniet of niet succesvol bent et cetera, is wel haast een cultuurfenomeen te noemen.

Hoewel ik zelf altijd het gevoel gehad heb dat een dergelijke vorm van levensdrift, die een leven op een laag pitje niet kan accepteren, voor mij geheel natuurlijk is, wordt er dus ook vaak gesuggereerd dat dit iets is waarmee mensen zich door de huidige in westerse welvaartslanden heersende cultuur het hoofd op hol laten jagen. Ik denk wel dat het feit dat de cultuur het óók nog eens eist, de totale druk van deze zelfverwerkelijkingsdrift gevaarlijk hoog kan doen oplopen.

Wat ik geneigd ben onder “werkelijk leven” te verstaan als ik niet uitkijk, is voortdurend maximale stimulatie, afwisseling en uitdaging, waarbij sympathisch zenuwstelsel, zintuigen en spieren alle registers opentrekken en er daarbij bovendien nog in slagen de niet-stressgerelateerde hersendelen maximaal te doen functioneren.

Naast dergelijke redeloos opgeklopte verwachtingen van mijn acties en ervaringen, zijn er ook nog de prestatie-eisen waarbij ik alleen mag overleven als ik de aller-, allerbeste ben, en ik mag nooit iets doen waar in de ogen van enig ander ook maar iets mis mee is. Laat staan natuurlijk dat ik iets mag doen of nalaten in strijd met wat ik zelf goed vind!

Zo bezien zijn er drie belangrijke problemen met mijn leven, die maken dat ik zelf het gevoel kan hebben dat ik “niet leef”:

  1. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe en ervaar om het “leven” te mogen noemen.
  2. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe om mezelf het recht te durven gunnen dat ik màg leven.
  3. Het moeten voldoen aan deze onmogelijke eisen roept dusdanig intense stressreacties op, dat ik niet anders meer kan dan tamelijk primitief vermijden of afreageren. Hiermee versterk ik de hele situatie “Ik leef niet en heb daar het recht ook niet toe”, zoals deze volgt uit de combinatie van mijn eisen en de werkelijkheid.

Eigenlijk denk ik dat veel mensen in deze cultuur een beetje deze problemen hebben. Meestal kunnen mensen nog wel voorkomen dat dit soort existentiële problematiek al te storend en al te bewust wordt, of dat het zelfs duidelijk merkbaar wordt voor anderen. Maar het lééft wel bij veel mensen. De huidige tijdgeest is niet voor niets uitgemaakt voor “Borderline Times” en “Age of Anxiety”. Al schijnt die laatste term ook al voor andere, vroegere tijden gebruikt te zijn. Het doordraven van zowel mensen als hele samenlevingen is dan mogelijk toch van alle tijden…

 

Het streven om “werkelijk te leven”, dat ik als natuurlijke drift ervaar, beschouw ik op zichzelf toch nog steeds als gezond. Tegelijk herken ik ook de dynamiek waarin het tot een onmogelijke eis verwordt, die zowel door de natuurlijke drift als ook door de cultuur opgejaagd word. Ik moet dus uitkijken dat ik wel realistisch blijf over wat onder “werkelijk leven” verstaan dient te worden. Hoge intensiteit van actie, ervaren en ook denken, is wel iets dat er voor mij ècht bij hoort, maar zelfs niet als ik “evenwichtige afwisseling” aanbreng in wàt ik dan zo intens wil doen, kan het niet voortdurend maximaal zijn. Ook is het gewoon niet waar, dat ik alleen mag overleven als ik de aller, allerbeste ben. Wel wil ik graag presteren, maar dat is heel iets anders dan de redeloze maximaliserende dwang die niet toelaat dat enig ander dier ergens beter in is.

Ondanks dit alles, bedacht door mijn redelijk verstand, kan ik nog steeds wel eens het gevoel hebben dat ik “niet werkelijk leef”. Dan zit ik aan de schaduwzijde van mijn leven. Maar ik zie de schaduw zo donker, omdat er ook licht is! Licht in alle intensiteiten en kleuren, méér omvattend dan alleen het zichtbare spectrum. Eigenlijk ga ik juist ook graag in de schemerzone van het leven staan. Daar vandaan kan ik tegelijk contact maken met zowel de lichte als de duistere kant. Het voelt niet altijd goed maar ik leef wel degelijk en zelfs in zekere zin juist zó heel erg “ten volle”.

Wel zie ik vanuit mijn observatiepost in de schemering helder genoeg: Ik ben nog altijd niet voldoende vertrouwd met het volle daglicht. Gedraag me toch nog te vaak schichtig als een wezen van het duister dat vreest gedood te worden door de blikken van mensen die mij kunnen zien! De angst zit er heel diep in, hoe zeer er ook geen redelijke reden toe is. Er valt nog veel te zien en te doen aan de “lichte” kant van het leven, waar ik mij nog te weinig aan gewaagd heb. Desondanks is het ook nu al “werkelijk leven” wat ik doe, en dat al sinds mijn noodlottige conceptie met alle recht van de wereld bovendien!

fractal where dreams are born

Waarom ik mijn beestje liever niet bij de DSM-naam noem.

Soms wordt er nog wel gezegd bij het praten over psychische ‘aandoeningen’: je kunt het beestje het beste bij de naam noemen. Met de de naam van het beestje wordt dan vaak de DSM-diagnose bedoeld.

De diagnose die ik tijdens mijn laatste behandeltraject had, was binnen het DSM-construct wel de meest juiste keuze die mijn psychiater had kunnen maken. Toch gebruik ik de naam van de diagnose over het algemeen niet graag bij het omschrijven van mijn problemen.

In dit stuk wil ik het er voor deze keer wèl over hebben. Dan hebben we het over de “Ontwijkende Persoonlijkheidsstoornis”. Ofwel het voldoen aan de volgende criteria zoals omschreven in de DSM:

Een diepgaand patroon van geremdheid in gezelschap, gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:

  • vermijdt beroepsmatige activiteiten die belangrijke intermenselijke contacten met zich meebrengen vanwege de vrees voor kritiek, afkeuring of afwijzing
  • heeft onwil om bij mensen betrokken te raken, tenzij er zekerheid bestaat dat men hem aardig vindt
  • toont gereserveerdheid binnen intieme relaties uit vrees vernederd of uitgelachen te worden.
  • is gepreoccupeerd met de gedachte in sociale situaties bekritiseerd te worden of afgewezen te worden.
  • is in intermenselijke situaties geremd vanwege het gevoel tekort te schieten.
  • ziet zichzelf als sociaal onbeholpen en voor anderen onaantrekkelijk of minderwaardig.
  • is uitzonderlijk onwillig persoonlijke risico’s te nemen of betrokken te raken bij nieuwe activiteiten omdat deze hem in verlegenheid zouden kunnen brengen.

Op zich raakt de globale omschrijving bovenaan, aardig de kern: “Diepgaand patroon (…) van gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel (…)”. Wat dat betreft niet slecht, voor een DSM-classificatie.

Ook met het voldoen aan de criteria kan ik wel instemmen, zeker in gesprek met de hulpverleners die dit zo zagen. Dit is ook relatief goed te doen zoals altijd in de DSM, omdat je nooit aan alle kenmerken hoeft te voldoen. Dat ik vaak juist graag betrokken raak bij nieuwe activiteiten, ondanks angst om in verlegenheid te komen, verhindert dus niet dat de diagnose van toepassing is.

Toch zou ik deze bewoordingen zelf nooit gekozen hebben. Ik heb dus het gevoel dat ik er maar aan toegeef omdat de DSM nu eenmaal niets beters te bieden heeft. Niet omdat het zo’n geweldig rake omschrijving is. Het is niet alleen de woordkeuze die stoort, maar ook dat het probleem eenzijdig omschreven is. Een aantal voor mij essentiële zaken blijven buiten beeld, waardoor een verontrustend vervormde, potentieel misleidende weergave van mijn probleem ontstaat.

Erger nog dan de DSM-criteria, zijn sommige omschrijvingen die professionals nota bene verspreiden om het algehele beeld te illustreren, zoals deze: http://www.e-psychiater.nl/psychiatrie/persoonlijkheidsstoornissen/ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis/

Bijna van begin tot einde zwaar irritant, maar voor mij persoonlijk is het dieptepunt wel bereikt met:

 Leuk iets nieuws ondernemen, op avontuur uitgaan, een praatje met iemand aanknopen, dat is allemaal niets voor iemand met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. 

Al vind ik

Het kan bij iemand met een ontwijkende persoonlijkheid wel eens lang kunnen duren voordat je er achter bent dat het stille water toevallig een ondiep plasje was

ook bijzonder irritant, maar dit wordt in de context waar ik hem uit gehaald heb, tenminste nog gerelativeerd.

Sowieso zijn de meeste omschrijvingen van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis in strijd met de temperamenteigenschap “novelty seeking”. Toch een eigenschap waarvan de psychiater die de diagnose bij me stelde aangaf dat ik die ook in hoge mate bezit, naast de voor de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis meer typerende “harm avoidance”. Deze aanvullende uitleg van hem was voor mij herkenbaar en verhelderend. Daardoor voelde ik me alweer beduidend beter begrepen door hem, dan door de diagnose op zich.

Vanwege “novelty seeking” was sociale vermijding voor mij aanleiding tot nog beduidend hogere lijdensdruk dan gemiddeld bij sociale angst, zodat ik vaker dan bij deze angst verwacht zou worden, situaties toch opzocht. Dit wel tegen de prijs van het moeten ondergaan van een intensiteit van angst die vrijwel iedereen uit de weg zou gaan, en die normaal functioneren in veel situaties volstrekt onmogelijk maakte. Iets dat helaas ook wel verkeerd begrepen is als een onafhankelijk van de angst bestaand onvermogen tot functioneren, dat vervolgens angst op zou roepen. Een voor de hand liggende, maar voor mij haast fatale misinterpretatie.

Misinterpretaties van gedrag liggen sowieso vaak voor de hand bij het denken in DSM diagnoses. Dit effect wordt nog versterkt door de stereotyperingen die om de diagnoses heen gecreëerd worden, en die een eigen leven gaan leiden naast de DSM-symptomenlijstjes zelf.

Omdat mijn gedrag in een aantal opzichten regelmatig in tegenspraak is met het stereotype van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, is het al te verleidelijk om direct te concluderen dat ik wel iets anders zal hebben! Of, als toch herkend wordt dat ik aan de criteria voldoe, gaat men ijverig op zoek naar een comorbide stoornis er bovenop om de atypische gedragingen te verklaren!

Al dat stoornissen zoeken en zelfs ten onrechte vinden is behoorlijk schadelijk geweest voor mijn toch al tot negativiteit neigende zelfbeeld. Volgens mijn psychiater was het bovendien overbodig. Niet iedere atypische eigenschap zou een stoornis als verklaring moeten krijgen, vindt hij. “Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis” was voor hem de juiste DSM-classificatie van mijn probleem, maar zeker geen beschrijving van mijn gehele persoonlijkheid!

Dat zouden DSM classificaties ook nooit zijn, zoals ik wel vaker hoor.

Bij persoonlijkheidsstoornissen zit daar toch nog een extra moeilijkheid. Daar wordt wel van gezegd dat het niet echt ziektes zijn, maar problematisch extreme variaties van persoonlijkheden. Op zich denk ik daar ook ongeveer zo over. Echter, juist zo bezien ligt het voor de hand om de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis te interpreteren als een extreme variant van een angstige en introverte persoonlijkheid, met hoge “harm avoidance” en lage “novelty seeking”. Passend bij de afschuwelijke stereotyperingen die professionals erover online zetten…

Strikt genomen kan ik dan altijd nog zeggen dat zo’n stereotype interpretatie toch maar een voorbeeld is en dat het er in werkelijkheid best anders uit kan zien. Natùùrlijk hebben mensen eigenschappen die “niet bij hun stoornis passen”, of die de aandacht afleiden van de kern van het probleem. Daarom is diagnosticeren ook echt niet zo gemakkelijk! Zelfs niet met kant-en-klare symptomenlijstjes…..of JUIST niet met kant-en-klare symptomenlijstjes?

Nu mijn GGZ-dossier gesloten is, is het bovendien onmogelijk geworden om zinvolle uitspraken te doen over mijn actuele diagnose. Tijdens het eindgesprek vertelde mijn psychiater dat dit niet geregeld is in het diagnostisch systeem. Voor hem leefde het “beestje” sowieso slechts in dienst van de GGZ behandeling, en hoefde het nu dus geen naam meer te hebben.

Eigenlijk zou het me juist best handig lijken om mijn problemen met een paar woorden aan medisch jargon te kunnen omschrijven, vergezeld van een compacte uitleg voor wie het jargon niet kent. Maar het noemen van een naam die mensen op het spoor zet van misleidende stereotyperingen vermijd ik toch liever…!