Wanhopige werkperspectieven II

Ondanks een zware periode in de psychiatrie en bij behorende ontmoediging had ik dus weer een masterstudie opgepakt. Daarmee leken mijn werkperspectieven alweer een stuk beter. Het oppakken van een studie was zo tenminste al niet meer even onrealistisch als een Nobelprijs winnen voor een normale, “gezonde” student. Zelfs heb ik al een aantal mooie cijfers gehaald, waaronder met lof voor mijn ‘master thesis’ van een professor die regelmatig in het nieuws mag praten over toxicologie; en een stageplaats verworven bij een bekend instituut waarvan ik de naam niet zal bezoedelen door de mijne eraan te verbinden. Mijn stagebegeleider daar is intelligent, begripvol, heeft humor en wil mij de ruimte geven om me te ontwikkelen.

En toch. De wanhoop heeft opnieuw toegeslagen, ik kan het niet langer ontkennen. Bij colleges en het schrijven van de master thesis had ik er al last van, en nu weer, alleen nu trek ik het onderhand niet meer, na bijna een jaar er tegen gevochten te hebben. Zowel “er” tegen als tegen mezelf, niet wetend wie of wat er nu precies overwonnen moet worden.

In colleges stel ik teveel vragen naar de fundamenten van wat we leren, die uiteindelijk altijd in een ander vakgebied blijken te liggen (zoals de statistiek), of uit heel erg specialistisch onderzoek afkomstig zijn, zodat we ons daar maar niet druk over moeten maken. Het is consensus en dus is het goed, dat argument mag je zelfs gebruiken in schrijfopdrachten en presentaties. Ikzelf ervaar blijkbaar een diep geworteld wantrouwen tegen de consensus zo lang ik niet weet waar die op gebaseerd is, wat vaak alleen maar erger wordt zodra ik de klok heb horen luiden over waar die op gebaseerd is, maar nog niet weet waar de klepel hangt. Voor mijn master thesis ben ik gaan zoeken naar zo’n klepel (de wetenschappelijke basis van de omrekeningsfactor van dierproeven naar mensen). Het kwam er een beetje op neer dat er geen klepel was, maar dat de klok toch luidt omdat iemand er rond 1950 een schop tegenaan gegeven heeft en men sindsdien meent dat dit de manier is….In het geval van mijn master thesis was het blijkbaar wel weer heel prijzenswaardig om niet te vanzelfsprekend mee te gaan met gevestigde praktijken, maar ik begin me toch af te vragen hoe ik nog professional kan worden in een vakgebied waarvan ik de funderingen al wantrouw voor ik ze goed en wel geleerd heb.

Het is sowieso een heel werk om erachter te komen wat nou echt de basis van iets is. Natuurlijk, ik wilde toch ook werk? Maar het is voor een groot deel helaas stomvervelend werk, waarbij ik er tegenaan loop dat ik blijkbaar een beperkte tolerantie heb voor academische teksten. De rijstebrijberg aan publicaties waar je je doorheen moet werken om iets gefundeerd te kunnen zeggen, lijkt daarentegen zo goed als onbeperkt. Zo snijdt de publicatiedruk aan twee kanten: voor de mensen die moeten publiceren is het om gek of frauduleus of iets daar tussen in van te worden, en voor iemand die het allemaal moet lezen eveneens. Niet alleen is het heel véél, het is ook enorm droog, in de meeste gevallen ongeïnspireerd en matig van kwaliteit en lijkt als produkt al te vaak op half verteerde en terug uitgebraakte varianten en combinaties van wat anderen al geschreven hadden, of zelfs van wat ze zelf al eerder geschreven hadden.

Tot misselijkheid toe in herhaling vervallend en naar elkaar verwijzend dus, en het is blijkbaar de bedoeling dat ik dat allemaal opvreet en dan weer bewerkt terug uitkots. Qua misselijkheid moet dat kotsen te doen zijn, maar helaas is het toch wel nodig om enige rationaliteit en concentratievermogen te behouden om een acceptabel stuk te produceren, waar zeker geen misselijkheid aan af te lezen mag zijn. Wat dat betreft is het wel degelijk een hele kunst om te leren.

Daarbij heeft ook nog eens iedere expert zijn eigen vierkante micrometer of kleiner nog, en kan eigenlijk niks zeggen over de micrometers ernaast laat staan verderop (vinden ze zelf vaak, weliswaar mede uit respect naar collega’s), wat het zelfs nog meer tot een enorm energievretend geduldwerk maakt om tot een sluitend totaalbeeld te komen. Hierbij loop ik eerlijk gezegd ook tegen de grenzen van mijn eigen verstandelijke vermogens aan, wat weer een uitstekende aanleiding is om te gaan panikeren over een mogelijke “enge hersenziekte” en/of de vraag of mijn intelligentie niet al zo ongeveer mijn hele leven enorm overschat is. De enige troost daarin is dan, dat het feit dat wetenschappers hun gebiedjes zo klein afbakenen er ook op wijst dat hun eigen verstandelijke vermogens waarschijnlijk ook onvoldoende waren om een groter gebied tot in de diepte te begrijpen. Hoewel dat een geruststellend idee is ten aanzien van de gesteldheid van mijn eigen brein, is het juist verontrustend als het om de wetenschap gaat. Het betekent dat er waarschijnlijk niemand is die zowel het overzicht heeft als de diepte begrijpt, en dit schept enorme mogelijkheden voor misverstanden.

Onderhand helemaal daas van de overdosis aan pogingen tot rationele activiteit begin ik me dan toch weer af te vragen of de wetenschap nou eigenlijk wel zo’n goede keuze voor mij was. Zo ben ik weer een beetje terug bij het perspectief van eerdere blogs waarin ik de wetenschap een beetje afbrandde. Maar dan denk ik ook weer aan wat ik schreef over mijn terugkeer tot de wetenschap, waarbij ik me liet inspireren door Richard Feynman, die aan zijn vriend de kunstenaar uitlegde dat de wetenschap niet tot levenloze abstracties leidt, maar juist tot een verrijking van de levende werkelijkheid. Ik geloof nog steeds wel dat Feynman daarin gelijk heeft, maar ik voel het niet als ik wetenschappelijk werk doe. Daarvoor worden de levendige essenties van kennis die ergens in de wetenschap verborgen liggen, toch teveel bedolven onder de eindeloos voortwoekerende grauwe brij van woorden, cijfers en tabellen.

Tenminste, dat is toch wat het wordt voor mij als ik er te lang en te veel mee bezig moet zijn. Misschien ben ik in de aard dan toch meer kunstenaar dan wetenschapper? Ook al is er voorlopig nog geen kunst die ik beheers, mis ik tot nu toe echt de passie en de drive daarvoor (anders had niemand me toch tegen kunnen houden om me daarin te ontwikkelen), zou ik nog niks weten te verkopen al maakte ik wel echte kunst, en ben ik regelmatig geneigd te denken dat ik me daar toch zeker ook niet op kan storten in de aanwezigheid van de onopgeloste wereldproblematiek? Of ben ik dan dus toch vooral een ‘wereldverbeteraar’, een brenger van veranderingen? Hoe kansloos dat ook lijkt bij mijn persoonlijkheid en vooral ook gezien het feit dat ik als puntje bij paaltje komt niet eens meer zo zeker weet wat er dan precies zou moeten veranderen aan de wereld wil het een verbetering zijn en waar ik in de eerste plaats het lef vandaan haal om te denken dat ik iemand ben die dat beter zou kunnen weten dan al die mensen die het niet zo nodig vinden of er andere ideeën over hebben…Of dan toch, blijkbaar, alleen maar een betreurenswaardig psychiatrisch geval dat nu eenmaal geen duurzaam inzetbare arbeidsvermogens heeft?

Intussen heb ik al bestraffingen van het UWV ontvangen omdat ik wel iets van werk gedaan heb en daarvoor betaald heb gekregen. Ook zijn ze van plan om me volgend jaar extra te gaan korten vanwege mijn arbeidsvermogen, waarbij ze dan wel weer beweren dat ze me willen gaan helpen om werk te vinden. Voorlopig heb ik daar een hard hoofd in. Vanuit het eerdere re-integratietraject, en ook mijn pogingen om bij de carreer office van de universiteit aan betere en helderdere perspectieven te komen, krijg ik eigenlijk dat indruk dat werk dat werkelijk bij mij past, niet bestaat, en dat ik in principe ook nergens geschikt voor ben als ik er niet in slaag om radicaal te veranderen. Bijvoorbeeld door minder wantrouwend te staan tegenover de consensus, door te leren mezelf positiever en enthousiaster te verkopen (zonder per se inhoudelijk genoeg te bieden te moeten hebben dat ik daar zelf ook echt achter kan staan), een eindeloze tolerantie op te bouwen voor saaie en weinig zeggende publicaties (en saai en nutteloos werk in het algemeen), en mijn eigen gebiedje te leren afbakenen zonder me er nog zorgen over te maken of al die losse lapjes onderzoek nog wel genoeg op elkaar en op de onderliggende werkelijkheid aansluiten om nog zinvolle betekenis te hebben anders dan als materiaal om interessant mee te doen naar vakgenoten en geldschieters. Volgens mij vergooi ik dan net de kwaliteiten die ik nog wel heb, in het mij onwaarschijnlijk voorkomende geval dat het me werkelijk zou lukken om zoveel te veranderen.

Een aantal van de veranderingen die ik nodig denk te hebben zouden wel echte verbeteringen zijn ook naar mijn eigen oordeel. Zoals mijn sociale angst echt helemaal overwinnen zodat dat verder geen probleem en geen bron van stress meer is, en net wat beter zijn in het incasseren van mislukkingen en fouten waardoor ik meer durf en meer ruimte heb voor passie en creativiteit waardoor er veel meer mogelijk zou zijn. Maar dat is al zo lang en hardnekkig een probleem, waarvoor ik zelfs al behandeling heb gehad bij de GGZ, dat ik me bijna niet meer kan voorstellen dat het me echt nog kan lukken. Waarschijnlijker lijkt vanuit mijn huidige gemoedstoestand sowieso dat ik uiteindelijk toch wel terug zal afglijden tot psychiatrisch geval zonder toegevoegde waarde (Er zijn zeker ook psychiatrische patiënten die wel een grote toegevoegde waarde hebben! Maar voor mezelf valt me echt psychisch ziek voelen toch wel sterk samen met niet productief kunnen zijn). Het moet ook anders kunnen, vind ik, maar ik zie het (nu /nog?) niet…

Advertenties

Geen persona of geen persoonlijkheid?

Soms zou ik wensen dat ik helemaal geen persoonlijkheid nodig zou hebben. Ik wil gewoon een leven hebben, in plaats van steeds aan mezelf te moeten werken. Het duurt nu al zo oneindig lang dat ik dat probeer, en het lijkt ook niet eerlijk. Andere mensen zijn er ook lang niet altijd zo mee bezig om zichzelf steeds te moeten verbeteren, terwijl die toch ook niet allemaal zo’n enorm hoogstaand ontwikkelde persoonlijkheid lijken te hebben. Natuurlijk zijn daarin grote verschillen, maar ik meen toch dat er meer dan genoeg mensen rondlopen die zichzelf zelfs nog slechter voor elkaar hebben dan ik mezelf en het desondanks stukken beter naar hun zin hebben en/of in hoger aanzien staan. Dus waarom moet ik dan zo nodig maar blijven sleuren aan mijn persoonlijkheid die zich afwisselend als dood paard, paniekerig paard en opstandig paard gedraagt bij alles wat ik eraan zou willen verbeteren?

Natuurlijk omdat dat ik me nog steeds regelmatig met dermate schaamtevolle stumperigheid achter de vermeende feiten aan zie rennen dat ik nog veel liever hard zou weglopen. Het lijkt dan wel of ik echt helemaal NIETS goed kan doen. Bijna niets wat ik van mezelf zou kunnen laten zien lijkt aanvaardbaar voor mezelf en al helemaal niet om door een ander gezien te worden. Mochten er nog wat fragmentjes overblijven die ik wel vind kunnen, dan zijn dat er toch echt niet genoeg.

Het is wel de vraag wat het dan precies is waar ik zo schandalig op misgrijp in zulke panieksituaties. Voor een deel kan die narigheid veroorzaakt worden doordat ik tijdelijk niet in staat ben om mijn eigen goede en sterke kanten te zien, terwijl mijn fouten en tekortkomingen overmatig de aandacht opeisen. Dan zie ik mijn schaduw dus groter dan mijn persoonlijkheid, maar betekent dat ook dat er met mijn persoonlijkheid zelf iets mis is?

Vaak ben ik vooral ook erg bang voor wat de ander ziet. Ik ga er dan van uit dat dit zeer negatief is en bovendien dat het als het negatiever is dan wat ik oorspronkelijk zelf dacht over mezelf, het dus ook meer waar is dan wat ik zelf dacht. Eigenlijk is het dan meer mijn “persona” dan mijn persoonlijkheid die mijn wantrouwen in eerste instantie wekt. De betekenis van “persona” is ook wel masker. Het is dus iets eigenlijk oppervlakkigs dat je verkiest aan anderen te laten zien. In het normale sociale verkeer worden dergelijke maskers veel gebruikt, en het ontwikkelen van een geschikte persona voor voorkomende situaties kan wel gezien worden als onderdeel van normale persoonlijkheidsontwikkeling. Desondanks lijkt mij ook dat een echte, goed ontwikkelde persoonlijkheid zou maken dat je die oppervlakkige maskers niet meer nodig hebt, omdat je als compleet persoon in staat bent om in iedere situatie zowel authentiek te blijven, als ook voldoende aangepast te zijn aan de situatie en sociale context. Zowel in contact met je diepste innerlijke passies als ook in vruchtbare verbinding met de buitenwereld zou je optimaal in je kracht komen en creatief kunnen realiseren wat je aan mogelijkheden hebt in het leven…

Deze voorstelling maakt verder werken aan persoonlijkheidsontwikkeling dan toch wel weer aantrekkelijk. Het kan dan wel zo zijn dat veel anderen ook niet optimaal ontwikkeld zijn, maar dit is eigenlijk toch niet voldoende reden zijn om het zelf dan ook maar niet meer te proberen. Complexe emotionele conflicten en crisis schijnen zelfs te kunnen bijdragen aan diepgaande ontwikkelingen van persoonlijkheid, zodat mijn vermeend kansloze achterstand op de vermeende feiten misschien toch niet zo onoverkomelijk hoeft te zijn als het mij in de angst steeds voorkomt. Maar ga mij niet vertellen dat de angst altijd liegt, want dat zou in strijd zijn met het beetje persoonlijkheid dat ik tenminste al wel heb!

Wel zou ik me zowel in dit blog als overal anders ook wel graag eens van een totaal andere kant willen laten zien, en zonder steeds mijn schaduw voor mijn persoonlijkheid te schuiven bij gebrek aan persona. Ook zou ik mezelf wel helemaal willen kunnen overslaan en juist met al het andere bezig gaan, dat zo veel verrijkender is of lijkt, maar dan lijkt de keuze die ik zou kunnen maken uit en de manieren waarop ik zou kunnen omgaan met “al het andere” toch weer al te griezelig naar mij zelf terug te verwijzen. Bij leven de eigen persoonlijkheid vermijden is kortom een onmogelijke opgave, maar ik vind het nog altijd erg lastig wat ik er dan wel mee moet.  Voor de rest gaat het trouwens wel prima, hoor (echt waar!).

*

(Afbeelding: Een werk van Titia van Beugen)

WAT mag eigenlijk “werkelijk leven” heten?

Een aantal keren al, heb ik geschreven over “leven” als zijnde iets dat ik nog moet leren, waarvoor ik angsten moest overwinnen, en zelfs als iets dat onmogelijk leek, iets dat ik bij volledig bewustzijn toch verloren kon hebben.

Het is tegenwoordig vrij gebruikelijk om het woord “leven” in een dergelijke betekenis te gebruiken, verwijzend naar iets anders dan wat het in zuiver biologische zin betekent. Het idee dat je niet echt “leeft” als je bijvoorbeeld niet tot het uiterste gaat, niet geniet of niet succesvol bent et cetera, is wel haast een cultuurfenomeen te noemen.

Hoewel ik zelf altijd het gevoel gehad heb dat een dergelijke vorm van levensdrift, die een leven op een laag pitje niet kan accepteren, voor mij geheel natuurlijk is, wordt er dus ook vaak gesuggereerd dat dit iets is waarmee mensen zich door de huidige in westerse welvaartslanden heersende cultuur het hoofd op hol laten jagen. Ik denk wel dat het feit dat de cultuur het óók nog eens eist, de totale druk van deze zelfverwerkelijkingsdrift gevaarlijk hoog kan doen oplopen.

Wat ik geneigd ben onder “werkelijk leven” te verstaan als ik niet uitkijk, is voortdurend maximale stimulatie, afwisseling en uitdaging, waarbij sympathisch zenuwstelsel, zintuigen en spieren alle registers opentrekken en er daarbij bovendien nog in slagen de niet-stressgerelateerde hersendelen maximaal te doen functioneren.

Naast dergelijke redeloos opgeklopte verwachtingen van mijn acties en ervaringen, zijn er ook nog de prestatie-eisen waarbij ik alleen mag overleven als ik de aller-, allerbeste ben, en ik mag nooit iets doen waar in de ogen van enig ander ook maar iets mis mee is. Laat staan natuurlijk dat ik iets mag doen of nalaten in strijd met wat ik zelf goed vind!

Zo bezien zijn er drie belangrijke problemen met mijn leven, die maken dat ik zelf het gevoel kan hebben dat ik “niet leef”:

  1. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe en ervaar om het “leven” te mogen noemen.
  2. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe om mezelf het recht te durven gunnen dat ik màg leven.
  3. Het moeten voldoen aan deze onmogelijke eisen roept dusdanig intense stressreacties op, dat ik niet anders meer kan dan tamelijk primitief vermijden of afreageren. Hiermee versterk ik de hele situatie “Ik leef niet en heb daar het recht ook niet toe”, zoals deze volgt uit de combinatie van mijn eisen en de werkelijkheid.

Eigenlijk denk ik dat veel mensen in deze cultuur een beetje deze problemen hebben. Meestal kunnen mensen nog wel voorkomen dat dit soort existentiële problematiek al te storend en al te bewust wordt, of dat het zelfs duidelijk merkbaar wordt voor anderen. Maar het lééft wel bij veel mensen. De huidige tijdgeest is niet voor niets uitgemaakt voor “Borderline Times” en “Age of Anxiety”. Al schijnt die laatste term ook al voor andere, vroegere tijden gebruikt te zijn. Het doordraven van zowel mensen als hele samenlevingen is dan mogelijk toch van alle tijden…

 

Het streven om “werkelijk te leven”, dat ik als natuurlijke drift ervaar, beschouw ik op zichzelf toch nog steeds als gezond. Tegelijk herken ik ook de dynamiek waarin het tot een onmogelijke eis verwordt, die zowel door de natuurlijke drift als ook door de cultuur opgejaagd word. Ik moet dus uitkijken dat ik wel realistisch blijf over wat onder “werkelijk leven” verstaan dient te worden. Hoge intensiteit van actie, ervaren en ook denken, is wel iets dat er voor mij ècht bij hoort, maar zelfs niet als ik “evenwichtige afwisseling” aanbreng in wàt ik dan zo intens wil doen, kan het niet voortdurend maximaal zijn. Ook is het gewoon niet waar, dat ik alleen mag overleven als ik de aller, allerbeste ben. Wel wil ik graag presteren, maar dat is heel iets anders dan de redeloze maximaliserende dwang die niet toelaat dat enig ander dier ergens beter in is.

Ondanks dit alles, bedacht door mijn redelijk verstand, kan ik nog steeds wel eens het gevoel hebben dat ik “niet werkelijk leef”. Dan zit ik aan de schaduwzijde van mijn leven. Maar ik zie de schaduw zo donker, omdat er ook licht is! Licht in alle intensiteiten en kleuren, méér omvattend dan alleen het zichtbare spectrum. Eigenlijk ga ik juist ook graag in de schemerzone van het leven staan. Daar vandaan kan ik tegelijk contact maken met zowel de lichte als de duistere kant. Het voelt niet altijd goed maar ik leef wel degelijk en zelfs in zekere zin juist zó heel erg “ten volle”.

Wel zie ik vanuit mijn observatiepost in de schemering helder genoeg: Ik ben nog altijd niet voldoende vertrouwd met het volle daglicht. Gedraag me toch nog te vaak schichtig als een wezen van het duister dat vreest gedood te worden door de blikken van mensen die mij kunnen zien! De angst zit er heel diep in, hoe zeer er ook geen redelijke reden toe is. Er valt nog veel te zien en te doen aan de “lichte” kant van het leven, waar ik mij nog te weinig aan gewaagd heb. Desondanks is het ook nu al “werkelijk leven” wat ik doe, en dat al sinds mijn noodlottige conceptie met alle recht van de wereld bovendien!

fractal where dreams are born

Stemmingsafhankelijke waarheden en levensgrote keuzeproblemen.

Vorige week beschreef ik hoe het in een slechte stemming nog enigszins bevrijdend werkte om te bedenken dat mijn perspectief op de waarheid stemmingsafhankelijk is. Eigenlijk bij alle negatieve emoties kan het besef dat mijn gedachten voor een groot deel ingegeven worden door de emotie en dus lang niet zulke absolute waarheden zijn als ze wel lijken, helpen voorkomen dat het escaleert. Toch is het bestaan van stemmingsafhankelijke waarheden tegelijk onderdeel van een levensgroot, zichzelf versterkend, escalatie aanjagend probleem.

Hoewel ik negatieve denkbeelden dus wel kan relativeren, zijn ze daarmee nog niet verdwenen of zelfs maar ontkracht. De enige waarheid waarop ik mijn gedrag in een situatie kan afstemmen, is vaak nog altijd de emotionele waarheid van dat moment. De slappe aftreksels van wat redelijkere waarheden die ik in mijn hoofd heb op dat soort momenten, zijn zelden overtuigend genoeg om ernaar te kunnen handelen. Ik heb de indruk dat dit probleem mijn functioneren nog altijd vrij ernstig verstoort, al is de mate en intensiteit waarin het optreedt over het algemeen gelukkig wel een stuk minder geworden sinds de crisis.

Maar behalve de problemen die ik ondervind in situaties die disfunctionele emoties en bijpassende denkbeelden oproepen, is er het misschien nog wel grotere probleem: Heb ik eigenlijk wel enige betrouwbare basis voor levenskeuzes? En zo ja, zal ik ook in staat zijn om deze basis inderdaad voldoende te vertrouwen om er consistent genoeg naar te handelen om ook daadwerkelijk belangrijke doelen te bereiken?

Droog en analytisch bekeken is dit het probleem met keuzes in relatie tot mijn stemmingsafhankelijk perspectief op de waarheid:

Als ik vandaag in stemming X een beslissing neem op grond van wat ik nu denk dat waar is, is de kans groot dat ik morgen of overmorgen in stemming A van mening ben dat ik mijn beslissing op de grootst mogelijke onzin gebaseerd heb. Dat kan weer een reden worden om een slecht gevoel te krijgen. Bovendien zal ik mijn beslissing willen herzien als ik de kans krijg, en mezelf inwrijven dat ik bij een dergelijke beslissing de volgende keer meer rekening moet houden met de waarheid van stemming A. Echter, zodra ik weer in stemming X ben, vind ik dat ik in stemming A veel meer begrip zou moeten hebben voor stemming X, en maak weer een soortgelijke keuze.

Dit is dan nog een sterk vereenvoudigde weergave, want in werkelijkheid gaat de afwisseling over veel meer verschillende stemmingen en situaties, waarvan er geen exact gelijk is aan een andere. Daarom zal het niet per se werken om maatregelen te willen treffen door een exacte analyse te maken van eigenschappen van iedere stemming inclusief bijbehorende overtuigingen, en een plan op te stellen voor hoe daar op te reageren. Bovendien weet ik niet eens echt in welke stemming mijn overtuigingen het dichtste bij de waarheid komen zodat ik mijn plannen daar op kan baseren.

Toch lijkt het wel noodzakelijk om zoiets als een plan te hebben, omdat ik anders helemaal geen houvast heb en volledig afhankelijk ben van mijn competentie om goed te reageren in alle verschillende situaties en emotionele toestanden. Het ontwikkelen van een dergelijke competentie is wel iets dat me enorm aantrekt, alleen heb ik geen flauw idee hoe ik het aan moet pakken. Tenminste, ik kan wel een idee bedenken, maar voor dergelijke ideeën geldt hetzelfde als voor iedere doelstelling. Het gaat alleen goed zo lang het goed voelt, en anders heb ik een bijzonder sterke motivatie nodig om het vol te houden. Een motivatie die niet gemakkelijk op te brengen is na alle desillusies die ik beleefd heb.

Daarom wil ik een doelstelling kiezen die mij die motivatie kan geven, die echt goed voor mij is, waarmee ik verder kom in het leven, mijn talenten zowel optimaal kan ontwikkelen als ook optimaal inzetten voor iets van verbetering in de wereld, en waar ik in kan geloven. Niet zomaar een naïeve droom dus. Maar ook niet iets dat ver beneden mijn kunnen is.

Dit soort keuzes blijken voor veel mensen een probleem te zijn in deze tijd, waarin de materiële behoeftes voor velen dusdanig solide gedekt zijn dat het vervullen van hogere menselijke behoeftes een dringende plicht wordt, die in principe op ieder individu zelf neerkomt, en waarvoor een haast oneindig aantal keuzemogelijkheden bestaat.

Echter voor mij komen er nog een aantal problemen bovenop in meerdere laagjes. Mijn psychiatrisch verleden waarin zowel bij mij als in de maatschappij het idee gezaaid is dat er iets mis zou kunnen zijn met mijn brein, het niet echt kunnen weten wat daarvan waar is. De emotionele problemen waar ik in ieder geval mee te maken heb, het niet echt weten of daar iets aan te doen is, en hoe ik er rekening mee kan houden zonder er extra angst voor op te roepen. Het al vooraf menen te weten dat ik bij tegenslag niet achter mijn eigen keuzes zal kunnen blijven staan. Het nauwelijks nog ergens in kunnen geloven.

Het lijkt mij nu dat ik iets van een vast geloof nodig heb om voor hetzelfde doel te kunnen blijven gaan in alle verschillende emotionele en sociale situaties. De grote ongrijpbare Waarheid is daar niet geschikt voor omdat ik die niet kan overzien en niet op handzame wijze kan vastgrijpen. Toch wil ik ergens zeker kunnen weten dat het geloof dat ik kies in de Waarheid gefundeerd is, zodanig dat het ook een goed geloof is. Ik zou willen dat ik iets kon funderen in zekere kennis. Ik verlang naar een handzame tunnelvisie waarmee ik het leven bij de kladden kan pakken in de overtuiging dat het goed is zo. Maar dan zonder tunnelvisie.

 

Het is 2 voor 12 en de tijd staat stil….

Mijn vermoedelijk kapotte horloge geeft de tijd momenteel zeer welsprekend weer. Het is 2 voor 12 en de tijd staat stil. Eigenlijk is dat alle tijd sinds mijn crisis zo geweest. Weliswaar gebeurt er af en toe best wel wat in mijn leven, behaal ik hier en daar een succesje en heb ik het af en toe echt wel naar mijn zin. Dan vergeet ik de tijd. Maar steeds als ik me bewust word hoe laat het is in mijn leven, is het even laat…

20160201_162431

Misschien is het toeval, het horloge heb ik gekregen in ongeveer dezelfde tijd als waarin ik voor het eerst hulp zocht bij de GGZ. Tamelijk aan het begin van deze eeuw was dat, aan het begin van mijn volwassenheid naar jaren ook. Toen begon dat gevoel me te bekruipen, dat ik haast te laat zou komen in mijn leven, dat ik flink zou moeten versnellen om er nog iets van te maken, dat een grote doorbraak noodzakelijk was. Er kwam een doorbraak de verkeerde kant op. Uiteindelijk liep ik helemaal vast.

Het horloge hoort te werken op mijn eigen bewegingsenergie. Het ging al vrij snel kapot, en dit zou eraan liggen dat ik het ding niet altijd afdeed tijdens mijn werk als hoefsmid. Tegen zoveel geweld was het gevoelige ding niet bestand. Maar het werd gerepareerd. Echter, hoewel ik er voorzichtiger mee omging, ging het ding opnieuw kapot. De fabrikant werd steeds onwilligger om het ding nog te repareren, omdat het aan mijn lompe omgang ermee zou liggen dat het steeds kapot ging. Ik weet zeker dat ik er na de laatste reparatie geen smeedwerk meer mee gedaan heb, maar het ding is er toch weer mee opgehouden. Vanwege de twijfel over wel of niet echt kapot, en waarschijnlijk toch niet meer gerepareerd krijgen indien kapot, verdween het ding mismoedig in een la ergens.

Pas geleden heb ik hem teruggevonden. Ik heb hem zelf op 2 voor 12 gezet, omdat dat de tijd is die ik zelf voel. Ik ben bijna te laat. Ik heb al heel veel van mijn leven verspild, en het kan ieder moment afgelopen zijn. Ik geloof niet in die praatjes van “je bent nog jong, je hebt nog zoveel tijd”. Ten eerste, zo jong ben ik helemaal niet meer (33). Ten tweede, er is geen garantie op het bereiken van een bepaalde leeftijd alleen omdat de statistieken zeggen dat je levensverwachting zo en zoveel is. Ten derde, er zit geen schot in de zaak. Met dit tempo zal ik sowieso te laat komen, al word ik 100 jaar oud. Tenminste, zo voelt het.

Je zou zeggen dat ik in staat moet zijn om vooruit te komen als ik dat werkelijk wil, als ik er iets voor wil doen. Ja, dat zou ik nog altijd zeggen, vooral als ik in zelfhaat ontbrand ben ik er zeker van dat het mijn eigen laffe, lamme schuld is dat het niet opschiet in mijn leven. Blijkbaar onderneem ik dan zelf niet genoeg actie, uitgemaakte zaak!

Toch is dat niet helemaal waar. Ik heb echt wel actie ondernomen. Alleen, het lijkt steeds de verkeerde actie, of ook met die actie schiet het niet op. Het lijkt erger dan de oude Echternach processie (steeds 3 stappen vooruit en 2 terug), maar het zou kunnen dat het in werkelijkheid slechts even erg is.

Misschien lijkt het ook wel zo ondraaglijk langzaam te gaan doordat ik me spiegel aan wat de maatschappij lijkt te eisen als je naar de oppervlakteverschijnselen kijkt. Iedereen wil ten volle, intens en avontuurlijk leven. Zelfs de meest saaie burgerfamilie hoort op allerlei avontuurlijke vakanties en uitstapjes te gaan, en wie geen carrière maakt of anders tenminste toch kinderen krijgt ligt eraf als ultieme loser. Weliswaar wordt daarbij ook veel gepredikt dat de maatschappij te snel en te veeleisend zou zijn en dat dit niet gezond zou zijn en dat je daar dus ook niet aan mee moet willen doen. Maar als ik zelf mijn persoonlijke voorkeur mag kiezen, wil ik toch dat snelle en intense leven!

Daarbij vergeleken is het dus, dat ik sinds de crisis in een haast ondraaglijke stilstand geraakt ben. Ik moet erkennen dat mijn leven niet even stil staat als het horloge, en misschien is het zelfs wel niet werkelijk 2 voor 12 ofwel “bijna te laat”. Maar op dagen als vandaag voelt het wel steeds weer zo. Dagen waarop ik geen afspraken met anderen heb en bovendien een tekort aan inspiratie om iets leuks of constructiefs te gaan doen.

Vandaag was misschien de echte blauwe maandag, voor mij. De hemel hing loodgrijs en drukkend boven mijn hoofd, alsof ik hem zelf moest dragen om te voorkomen dat hij naar beneden kwam. Geen doelstelling lijkt kans van slagen te hebben. Ik wandel maar wat richting het einde van de wereld, en kijk naar het horloge. Ik moet wel goed gek zijn, om mijn frustraties in mijn kapotte horloge uit te drukken en het ding nog om te doen ook. Ik ben een verwarde vrouw zonder werk en zonder doel. Als ik een doel zou hebben, zou het mij wel verhinderd worden om het te behalen door mijn eigen emotionele instabiliteit. Of stommiteit. Of redeloze negativiteit over mezelf?

Dit is mijn waarheid van 1 februari 2016. De hele ochtend en middag was het 2 voor 12. Pas nu ik schrijf is er weer een echte, levende tijd. Mijn stemmingen en emoties hebben eigen waarheden die nog relatiever zijn dan de tijd maar waar net zo min aan te ontsnappen is. Toch geeft het besef hiervan een zekere bevrijding. Durven geloven dat er buiten de grijze drukkende stilstand nog steeds leven, beweging, licht en kleur is, en dat er maar weinig tijd of verandering nodig hoeft te zijn om weer te voelen dat ik ook daar aan deelneem.

Laatste filosofietentamen als randrealistische daad…

Vandaag heb ik mijn laatste tentamen filosofie gedaan. Tenminste, als ik niet verder ga met filosofie studeren, zoals ik in principe besloten denk te hebben. In de aanloop naar dit tentamen kreeg ik het gevoel dat ik van de rand van de wereld zou gaan stappen, of in ieder geval van de rand van een bepaald soort realiteit.

Het is in mijn logica een logisch gevolg van mijn C.V. tot nu toe: eerst paardensport, dan het ambacht van hoefsmid, dan de bachelor Bio-Farmaceutische Wetenschappen (BFW), en nu enkele vakken filosofie. Stuk voor stuk konden ze niet voor mij zijn wat ik van ze verlangde, en gaven mij het gevoel dat dit wederzijds was. Heb ik niet in zekere zin de hele wereld afgewerkt en afgewezen met deze reeks?

En dan wat tentamens betreft, hoewel het tentamen van vandaag zeer onschuldig was, zeker ook in verhouding tot het gevoel dat ik er van tevoren over had: er zijn ook tentamens die wel degelijk het leven in gevaar brengen. Met name tijdens de studie BFW is dat zeer serieus aan de orde geweest voor mij. Ergens tijdens de Master die ik nooit afgemaakt heb, kwam ik erachter dat een poging om het eigen leven te beëindigen, een tentamen suicidii genoemd wordt.

In zekere zin is het alarmerend dat ik dat verband blijf leggen en het gevoel heb dat ik van de wereld ga stappen door nu de studie filosofie achter me te laten. Nog voordat ik het een redelijke kans gegeven heb, ook nog eens. Het komt voort uit een gemoedstoestand van verlammende existentiële angst, die adequaat handelen praktisch onmogelijk maakt, en die erom lijkt te vragen zichzelf te mogen realiseren in de vorm van zo’n dodelijk tentamen….

Toch, en ik hoop dat ik niet te lang doorgeschreven heb alvorens de lezer gerust te willen stellen, is er geen sprake van dat ik nu een doodswens heb. Ik heb daarentegen een hele sterke levenswens, maar wel een die zich voor een ernstig probleem gesteld ziet: Wat moet ik in vredesnaam met mijn leven gaan doen, om zelf het gevoel te kunnen hebben dat ik het goed doe, “leven”?

Al lange tijd zoek ik naar een of ander groot doel waarin ik mezelf kan realiseren en waarin ik mijn eigen bijdrage kan leveren aan een betere wereld, en al die tijd grijp ik mis terwijl de angst mij wel steeds weer weet te grijpen. Men zegt dat ik het ook niet in het grote moet willen, of dat ik wel kleine stapjes moet maken om er te komen. Maar: of het nu werkelijk groot moet zijn of niet, het moet iets zijn dat voor mij groot voelt, anders geeft het niet voldoende motivatie als tegenkracht voor alle negatieve ervaringen die ik immers ook heel groot voel. En: kleine stapjes, prima, maar welke kant op, als ik niet eens weet waarheen?

Soms voel ik wel een inspiratie, een motivatie in een bepaalde richting, maar die wordt zo snel door onzekerheid en angst ondermijnd dat een werkelijke passie niet meer levensvatbaar lijkt, en mijn ratio het idee als zeer onrealistisch moet inschatten. Mijn ratio rekent met alles wat mij wel eens als “beperking” is aangewreven, en met alle factoren die ik heb waargenomen in de maatschappij die kunnen maken dat ik iets zeker niet wil. Dit brengt mij tot de deprimerende uitkomst dat er in deze maatschappij niets is dat voldoet aan de eis “realistisch” en ook aan de eis “aanvaardbaar qua verwachte emotionele ervaring”. Alles wat in de categorie “realistisch” ingeschat wordt, zit onvermijdelijk ook in minstens één van de categorieën “dodelijk saai”, “bevestiging van mijn minderwaardigheidsgevoelens”, “zinloos”, “immoreel”, of “uitzichtloos”.

Ik denk wel dat er reële opties zijn voor mijn ratio om de criteria aan te passen. Een aantal van de “beperkingen” zouden mij ten onrechte aangewreven kunnen zijn, mijn waarneming van de maatschappij is mogelijk niet geheel generaliseerbaar als het om negatieve ervaringen gaat, en de negatieve categorieën die ik op de uiteindelijke opties loslaat, zouden ook minder rigoreus toegepast kunnen worden. Maar: dan zijn er opeens wel weer erg veel opties, die nog slecht voelen ook. De ratio kan de gevoelslading die tot uitdrukking kwam in de vroegere criteria, niet echt wegnemen, en heeft ook geen middelen om zeker te stellen dat die gevoelslading in de eerste plaats onterecht was.

Het studeren voor dit laatste tentamen lukte nauwelijks nog, zo zat ik de existentiële afgrond erachter aan te gapen. Ben ik na het tentamen die afgrond in gestapt? Of loop ik nog als een tekenfilmfiguur over lucht boven de afgrond? Eigenlijk heb ik nu niet meer het gevoel dat ik ga vallen, maar dat kan bedrieglijk zijn! Want in mijn hoofd spookt nog het idee: Als ik op dit punt in mijn leven nog tot iets wil komen dat zinvol voelt en dat hopelijk ook IS, dan zal ik me moeten ontdoen van “het moet wel realistisch zijn”, het rationele criterium waar mijn angsten wel invulling aan weten te geven. Filosofie studeren was de laatste stapsteen, eigenlijk al op het randje van realistisch, nu stap ik van het randje van de realiteit en…..kijk eens aan, het leven gaat gewoon door! Maar wat nu?