Leren (met) fouten maken, een probleem op zichzelf.

In mijn laatste blog schreef ik dat ik nieuwe dingen zou gaan leren door aan een masterstudie te beginnen. Ik voorzag daarbij ook de nodige problemen. Nu is het dan echt gaande. Zowel het leren als de problemen, toch nog intenser dan het van tevoren voor te stellen was.

Echt nieuwe dingen leren vind ik vooral leuk. Het grote probleem zit hem vooral in oude lessen, die ik niet goed genoeg geleerd heb. Daarbij is het meest basale waarschijnlijk het allerergste: Ik vind het nog altijd een grote ellende om met vallen en opstaan, door fouten, te moeten leren.

Het hele onderwijssysteem is daar echter wel op ingericht. Men denkt dat mensen van nature op die manier leren, zelfs bij intellectuele vaardigheden waarvan al precies bekend is hoe het moet.

Bij het leren van nieuwe motorische vaardigheden probeer ik mijn foutmarge altijd heel klein te houden, omdat ik voorzie dat bij te grote fouten serieuze ongelukken kunnen gebeuren. Vaak is dat zelfs echt waar, alleen gebeurt het in de praktijk naar verhouding tot het aantal pogingen dat mensen doen, niet zo vaak.

Bij intellectuele vaardigheden gebeuren niet direct ongelukken door fouten die je maakt tijdens het leren. Desondanks maak ik ook daarbij niet graag fouten. Volgens mij is fouten maken dan namelijk helemaal niet nodig. Het hele idee van dat iets “fout” is, lijkt me sowieso dat het iets is dat je wilt vermijden!

Het leren van vaardigheden die een theoretische basis hebben, werkt wat mij betreft zo: Iemand legt de theorie uit, en als dat goed gebeurd is, begrijp ik het. Als ik bovendien eventuele formules of regels die van toepassing zijn op het bewuste intellectuele gebied voldoende paraat heb, en voldoende geconcentreerd kan blijven, kan ik binnen het hele gebied waarop de uitleg die ik begrepen heb van toepassing is, foutloos werk leveren. Door te oefenen kan ik daar steeds sneller en handiger in worden, en zal het op den duur zelfstandig gaan toepassen buiten het gebied waar de uitleg over ging. Niet eerder dan op dit gevorderde niveau van zelfstandige creatieve uitbreiding, zijn fouten iets wat er noodzakelijk bij hoort. Als ik eenmaal op dat niveau bezig ben, vind ik het dan ook veel minder erg.

Maar inmiddels heb ik toch al door schade en schande moeten leren, dat het nastreven van een foutloos basisleerproces een nogal zelfdestructieve fout op zichzelf is geworden. Het blijkt hoe langer hoe minder realiseerbaar, en steeds problematischer in mijn leven.

Niet alleen zijn er schrikwekkende gaten in mijn basiskennis gevallen, zodat ik daar al lang niet meer op mijn manier op kan bouwen, terwijl het bovendien onbegonnen werk lijkt om het allemaal te gaan herstellen. Het is simpelweg niet hoe de meeste mensen onderwijs geven. Liever geven ze je wat losse flodders aan op zichzelf al bedenkelijk ogende basiskennis. Daarbij is direct inzichtelijk dat het nog niet het halve verhaal is, dat het geen aanknopingspunten geeft om complicaties op te lossen en bovendien meestal in tegenspraak is met zaken die je eerder geleerd hebt. Maar je zult het ermee moeten doen. Je wordt in het “diepe” gegooid, en mag daar van je fouten gaan leren. Je begripsvermogen legt zich in een onmogelijke knoop maar je hebt het ook niet nodig; begrijpen komt wel als je eenmaal een tijdje bezig bent, zo is de bedoeling.

 

Dan heb ik geen kennis van de tegenstander, de vluchtwegen zijn onduidelijk en bovendien geblokkeerd, en ik moet maar zien hoe ik dat overleef. Het schijnt dat ik iets met risico-inschattingen moet gaan doen. Met cijfers ook nog, en een vage notie waar ze vandaan komen en wat ze betekenen, die echter onmiddellijk verloren gaat zodra je de computer er iets mee laat doen. Mijn medestudenten lijken er ook niets van te begrijpen, maar gaan stoïcijns verder. Onbegrip en fouten maken lijkt ze niet te kunnen raken. Het is immers geen tentamen.

Het is onze basis om te leren hoe je risico-inschattingen maakt. Het lijkt me dat je maar beter goed kunt weten waar je risico-inschattingen op gebaseerd zijn, en hoe je kunt voorkomen dat je er fouten mee maakt.

Anders kom je later nog eens ijskoud met een foute risico-inschatting op de proppen, die gebaseerd is op cijfers die je zelf niet begrijpt. Maar het zijn cijfers en je hebt een wetenschappelijke methode gebruikt. Dus de richtlijnen gaan daar op gebaseerd worden. Je collega’s snappen er namelijk even weinig van, aangezien die op dezelfde manier geleerd hebben om fouten te blijven maken.

(Idiocracy rising!!!)

Je hebt een foute richtlijn geproduceerd die nergens op slaat omdat je zelf niet snapt wat je gedaan hebt, en mensen maken zich leven en werken zo goed als onmogelijk om een risico te vermijden dat helemaal niet echt bestaat behalve in jouw onzinnige berekening.

Of misschien heeft je onzinnige berekening geconcludeerd dat er geen risico is, zodat mensen die erop dachten te kunnen vertrouwen, argeloos dood gaan aan gruwelijke ziektes.

Op den duur leren mensen wel van hun fouten, en begrijpen dat ze in de praktijk niets hebben aan de schijnzekerheden die alle zonder begrip met getallen goochelende “experts” zoal produceren. Men houdt zich dus steeds minder aan de richtlijnen en er zijn regelmatig incidenten die prima voorkomen hadden kunnen worden. Vanwege de ziektes en incidenten worden de richtlijnen nog met een factor 10 aangescherpt, of weet je wat, met een factor 100.

Nu zijn de richtlijnen zo onwerkbaar geworden dat zeker niemand zich er nog aan houdt!

Natuurlijk gaat het aan alle kanten fout, maar dat is altijd de schuld van de betreffende persoon zelf; Zodra er iets fout gaat wordt de richtlijn waar niemand zich aan houdt van stal gehaald om de overtreder als schuldige aan te wijzen. Zo is de bevolking in de greep van ziekte en onrecht, en jij hoort bij de ware schuldigen!

Het is één van mijn “rampscenario’s” die mij storen bij het studeren, mogelijk wat dramatisch aangezet maar veel te realistisch ogend…

Maar ik ben aan het leren, en dat schijn ik te moeten doen door fouten te maken en door eerst te doen en daarna pas te begrijpen. Op zijn minst dàt probeer ik al te doen terwijl ik niet begrijp waarom het nu werkelijk nodig zou zijn. Behalve dan om de leerweg te kunnen blijven volgen die ik ingeslagen ben, de route die de anderen ook volgen…

Advertenties

“Herstel” en mijn herstart in de wetenschap.

Ondanks al mijn goede moed en enthousiasme, kan ik voor mezelf niet ontkennen, dat ik nog flink wat angst heb voor de aankomende start van mijn studie “Toxicology & Environmental Health”. Na een aantal jaren psychiatrie is er bij terugkeer in de maatschappij een heel spanningsveld ontstaan waar je ook nog eens niet zomaar met iedereen over kunt praten.

Als ik niet in het verleden al geschreven had over mijn ervaringen met psychiatrie en aanverwante zaken, zou ik het op dit moment denk ik ook niet het risico waard achten om “uit de kast te komen” op internet. Maar nu wil ik toch graag waar ik kan met mijn schrijven een beetje het pad verlichten van wie, zoals ik zelf, uit de totale duisternis terug het leven en daarbij zelfs “de maatschappij” in probeert te komen…

Sinds mijn crisis lijken verwachtingspatronen over mijn academische prestaties radicaal omgekeerd. Er zijn nog enkele mensen die mij wat beter kennen, die er nog heel wat vertrouwen in stellen, maar er zijn ook mensen die sinds de crisis enorm skeptisch geworden zijn over mijn mogelijkheden. Zelfs mensen die me helemaal niet kennen, maar wel enkele feitjes bezitten over mijn psychische gezondheid en/ of oordelen van anderen daar over, hebben zich vaak erg stellig uitgesproken met in mijn beleving zeer negatieve verwachtingen.

Tijdens mijn re-integratietraject en later bij een telefoongesprek met het UWV, waarbij het over mijn studieplannen ging, werd bijvoorbeeld gezegd: “Eerst maar eens zien of dat niet maar wat wilde plannen zijn”, en “Heb je al besproken of dat wel haalbaar is?”

Terwijl ik dacht: “Wilde plannen? Ik heb geen conservatiever en veiliger plan kunnen verzinnen….” en “Waar zou ik in vredesnaam iemand vandaan moeten halen die beter kan weten of het haalbaar is, dan ik zelf?”

Maar zelfs al ben ik het er niet mee eens, de zelftwijfel die ik vaak toch al wat teveel heb, is flink aangewakkerd met zulke suggestieve vragen, en laat me niet gemakkelijk meer los.

Net als de stereotype dooddoener van opname afdelingen en dagbesteding “Je zit hier niet voor je zweetvoeten”. Erg kortzichtig vond ik die. Ik zat daar inderdaad niet voor mijn zweetvoeten, maar door een verkeerde diagnose en de schade die een daarop gebaseerde behandeling had aangericht.

Maar toch…

Ook een verkeerde diagnose komt ergens vandaan, en niet doordat ik geen klachten gehad zou hebben…Daarbij kan ik de schade van de verkeerde behandeling ook niet ontkennen…Alleen al het feit dat sommige mensen mij blijkbaar met zoveel zekerheid zien als een nogal ernstig gestoord geval bij wie het ook geen belediging, maar realistisch en zorgzaam is om zulke dingen te zeggen…

…Laat ik ook zeker maar niet alles en iedereen gaan citeren die zulke dingen gezegd heeft, anders wordt het straks nog te geloofwaardig dat ze wel gelijk gehad zullen hebben!

De laatste hulpverleners die ik gesproken heb, en andere mensen door wie ik me redelijk goed begrepen gevoeld heb de laatste tijd, vonden wel dat ik mezelf niet zou moeten zien of presenteren als iemand “met beperkingen”. Zelf geloof ik ook niet echt, dat ik zoveel meer beperkingen zou hebben dan de gemiddelde ander. Maar daarmee zijn de problemen nog niet weg, of zelfs maar onzichtbaar geworden voor anderen…

Zo heb ik dus alles bij elkaar nog vrij sterk de neiging, om mezelf enorm veel druk op te leggen om met zekerheid te voorkomen dat de beperkingspredikers gelijk zouden krijgen, of dat nieuwe mensen met wie ik in contact kom, mij ook weer al te ernstig gestoord zullen gaan vinden. Ik moet dus perfect presteren en perfect normaal doen!

Dat is precies mijn perfecte valkuil, waarmee ik mijn eigen graf zo goed kan graven: Ik jaag mezelf angst aan omdat ik geen angst mag tonen. Dat is toch iets dat ik zou willen vermijden, ware het niet dat vermijdingsmotivatie op zichzelf alweer angst in zich besloten heeft liggen!

Was het trouwens niet om te beginnen al uit angst dat het intellectuele het enige is dat ik nog enigszins kan, dat de wetenschap nu toch de minst onveilige keuze leek?

Daarbij ben ik met dit conservatieve plan een aardig eind op mijn eigen schreden teruggekeerd, terwijl ik toch intussen de hele wetenschap en academische wereld al lang achter me afgefakkeld had? (Zie Wetenschap en Waarheid, Is filosofie compatibel met mijn vrije wil)

Het valt te vrezen dat ik er ten onder zal gaan aan rationaliseringen, en anders wel aan veroordeeld worden voor irrationalisme. Daarbij nog al het doodsaaie en toch nog op mijn zenuwen werkende precisiewerk, enzovoorts….

Is er eigenlijk wel werkelijk leven in de “life sciences”?

…Een vraag die een bodem raakt…

Ik kwam een uitspraak van Richard Feynman tegen, die ik heel toepasselijk vind:

I have a friend who’s an artist, and he sometimes takes a view which I don’t agree with. He’ll hold up a flower and say: “Look how beautiful it is”, and I’ll agree. But then he’ll say: I, as an artist, can see how beautiful a flower is. But you, as a scientist,take it all apart and it becomes dull.” I think he’s kind of nutty. There are all kinds of interesting questions that come from a knowledge of science, which only adds to the excitement and mystery and awe of a flower. It only adds. I don’t understand how it subtracts”.

20130617_175123

Mijn negatieve visie op de wetenschap, is de manier waarop die kunstenaar het bekijkt. Maar de visie van Feynman leeft ook in mij. Behalve dan dat ik wèl zie hoe wetenschap afbreuk kan doen. Maar wetenschap hoeft geen afbreuk te doen aan de levendigheid van ervaring, en kan daar zelfs aan toevoegen!

 

Wat dat betreft heb ik wel een tak van wetenschap gekozen die zich niet direct richt op de meest aangename kanten van het leven. Maar die wel kan helpen om leven en gezondheid te beschermen, en die ik bovendien enorm interessant vind!

Zo ben ik terug op mijn “oude” weg, de wetenschap, na het maken van duistere en vernietigende, maar later ook weer leven brengende omwegen. Ik ben niet gestorven, maar er niet zo zeker van dat ik sterker geworden ben. Wel heb ik veel geleerd, en mijn weg vervolgend zal ik nog heel veel nieuwe dingen kunnen gaan leren, die ik voorheen nog niet geleerd heb…

Vakantie als finale van de “altijd vakantie”!

Altijd vakantie”, NO WAY!!!

Relatief kort nadat ik ontslag had genomen van mijn laatste verblijf in een psychiatrische instelling, en ik net genoeg moed bij elkaar had weten te schrapen om een sportschool te bezoeken, liet iemand zich daar een opmerking ontvallen met: “…. Bianca, die heeft altijd vakantie”. Waarschijnlijk niet meer dan een wat onhandig eruit geflapte, lollig bedoelde opmerking, die ik hem verder niet persoonlijk kwalijk neem. Maar echt. “Altijd vakantie”?!? Niets was minder waar, al hoefde ik inderdaad nooit te werken. Maar het voelde veel meer als een straf, door uitsluiting als zelfs nog pijnlijker alternatief voor opsluiting, dan als vakantie!

Op vakantie gaan was zelfs helemaal geen optie. Mijn gang naar de sportschool was al een groteske overschrijding van de grenzen van waar mijn angst nog beheersbaar bleef. Ik deed dus al wat ik kon en schoot toch nog schromelijk tekort in mijn pogingen om aan de saaiheid van mijn al te beperkte bestaan te ontsnappen.

Door het niet hoeven werken, en de door iedereen in mijn omgeving drastisch naar beneden bijgestelde verwachtingen, waren zo goed als alle verplichtingen waar een mens maar enigszins onderuit kan, weliswaar weggenomen. Maar de enige verplichting waar geen ontsnapping van mogelijk is, bleef ik pijnlijk voelen in ieder spoortje bewustzijn: De verplichting om te leven, zo lang ik niet sterf.

Die “vakantie” is het, die nu eindelijk echt ten einde loopt. Langzaam heb ik geleerd mijn verplichting om te leven, weer steeds beter aan te kunnen. Niet dat ik me nu onkwetsbaar voel, maar het lukt tenminste weer om met mijn kwetsbaarheid te leven. Daarbij helpt mij ook om bewust te blijven dat ieder mens kwetsbaar is, en niet alleen maar ik, of mensen die ziek zijn en/ of als “ziek” bestempeld (geweest) zijn.

1340

Eindelijk geen “vakantie” meer!

Zo ga ik aankomende september te beginnen aan een fulltime Masterprogramma, met de serieuze bedoeling om dit af te maken en via die weg te ontkomen aan de veroordeling tot arbeidsongeschiktheid. Ondanks een aantal gesprekken die ik gevoerd heb ter oriëntatie daarop, die behoorlijk ontmoedigend waren. Ondanks dat het aanmelden voor een Master ook al een soort sollicitatie bevat, en ik een motivatiebrief en een acceptabel ogend CV in elkaar heb moeten wrochten. Gelukkig waren er ook mensen die mij steunden hierin. Bovendien sta ik nu zelf ook zodanig achter deze keuze, dat ik mij niet bij ieder beetje tegenspraak laat terug jagen. En ik ben aangenomen voor de Master die ik het liefste wilde doen!

Aangezien de programmacoördinator alle studenten alvast een fikse portie studiemateriaal aanbeveelt, die je geacht wordt te beheersen bij de start van het programma, heb ik daar nu al aardig wat werk aan. Zowel het alweer een aantal jaren eruit geweest zijn, als het nooit werkelijk aangeleerd hebben van studievaardigheden, is nu wel voelbaar. Maar ik merk ook dat ik, hoewel ik er af en toe nog wel wat over in de stress schiet, wel het overzicht behoud, durf te proberen, en zowel inhoudelijk als qua studie-aanpak nu al veel aan het leren ben, wat erg leuk en interessant is!

1330

Een ECHTE vakantie!

Intussen ben ik nog wel op VAKANTIE geweest! En niet zomaar een voorzichtige vakantie, nee op een groepsreis voor singles, met mensen die ik nooit eerder gezien had, veertien dagen naar Noord-Italië, en voor het eerst kamperen ook.

Deze dagen waren goed gevuld met leuke en spannende activiteiten, en er was geen ontkomen aan sociale situaties. Soms nog erg beangstigend, confronterend en triggerend. Gelukkig was de reisleider ook echt een goed aanspreekpunt voor zulke dingen, zelfs al was hij tien jaar jonger dan ik en niet “ervaringsdeskundig”. Bovendien bestond de groep uit leuke mensen die gemakkelijk in de omgang waren, en met wie best te praten viel, zelfs over moeilijke onderwerpen.

Zo kwam het dus toch goed met die vakantie. Ik heb enorm genoten van de omgeving, de activiteiten, en van de sociale situaties waarin ik NIET teveel door angsten, frustraties en beladen herinneringen belaagd werd. Leren kamperen, nieuwe spelletjes geleerd, heerlijk in de bergen wandelen, inspannend en ontspannend tegelijk, met geweldige uitzichten. Voor de eerste keer raften, windsurfen en klettersteigen (“Via Ferrata”).

Onderdompeling in spanning en vrijheid!

Het allerbeste hoogtepunt vond ik het canyoning. Weliswaar was ik opnieuw erg nerveus aan het begin van die activiteit, en daarbij was het eerste wat we moesten doen, ons direct aan een touw van een hoge brug af laten zakken. Volledig vertrouwen op een stel onbekenden en hun touwen.

Dat moest daarna nog een aantal keren, want we liepen en klauterden niet alleen door een canyon, we lieten ons ook van watervallen zakken of het waterglijbanen waren. De eerste keren aan een touw, maar daarna ook los! Handen voor de borst en gaan! Het was geweldig: Het koude water was prikkelend, watervallen bleken de ultieme waterglijbaan. De rotsen mooi rond uitgesleten door het water, en dan samen met het water te vallen midden in de prachtige natuur. De plons die je maakte onderaan de waterval, kopje onder in het heldere maar onrustige water, en het wegzwemmen in de stroming onder de waterval-douche door.

Als finale van deze prachtige ervaring een Sprong in het Diepe: Van acht meter hoogte in het witte schuim onderaan een waterval springen vanaf een platform in de rotsen. Een van mijn reisgenoten deed dit met een supercoole, relaxed ogende salto achterwaarts. Ik zelf bleef echter, ondanks vastbesloten te zijn om te gaan springen, nerveus naar beneden staan kijken, tot 3x toe niet in staat mezelf te dwingen tot de sprong. Terwijl ik zo graag wilde, en het me ook echt leuk leek…

1302

De gids, een stoere man, liet me dan ook niet terug gaan. Echt niet. Ook hij wist, dat ik wilde springen. Mijn reisgenoten begonnen mij met luid roepen aan te moedigen. Nog keek ik in het schuim, nog twijfelde ik of ik, met door angst beïnvloedde motoriek, die sprong nu echt wel veilig kon maken. Bovendien vertelden mijn zintuigen mij simpelweg dat het er niet als goed idee uitzag. Vooral niet als een veilig idee; een goed idee toch wel degelijk! Ik verlangde naar de sensatie, voelde me mentaal daarin opgetild door het geroep van mijn groepsgenoten, en nam eindelijk de sprong!

De sprong ging helemaal goed en voelde fantastisch. Ik voelde me een totaal ander persoon dan degene die in de angst blijft hangen. Voelde tegelijk ook dat ik dezelfde persoon was, maar dan van de betere kant. Ik ben mijn lichte en mijn donkere kant, zowel nerveus als ook moedig, ja in vele opzichten bijna in strijd met de logica, kan ik zelfs iets zowel wel als ook niet zijn…

Deze tegenstrijdigheid vormt mijn ontwikkelingspotentiaal, en daarmee ga ik aan het werk. Stel mijn redelijk vermogen aan in dienst van mijn emoties, en eveneens andersom. Opdat beide productief mogen worden, èn plezier kunnen maken, èn de veiligheid bewaken. Als het aan mij ligt ga ik nog vaak op vakantie, maar nooit meer “altijd vakantie”!

1368

Is het stigma, of is het wetenschap?

Op het eerste zicht lijken wetenschap en stigma zeer ver uit elkaar te liggen. Wetenschap baseert zich op feiten en logica, en velt principieel geen oordelen die zich daar niet rationeel uit laten rechtvaardigen. Terwijl een stigma precies een onrechtvaardig oordeel is, gebaseerd op beperkte kennis en geveld door negatieve emoties, eventueel geholpen door het rationaliseren van de beperkte kennis.

Desondanks zie ik wetenschap en stigma soms bedrieglijk dicht bij elkaar komen. Bijvoorbeeld bij het idee dat bij psychische aandoeningen sprake is van een in biologische aanleg aanwezig gebrek dat de emotionele stabiliteit ondermijnt. Daardoor zou ook als er geen sprake meer is van ziekte, toch een verhoogd risico blijven bestaan dat iemand weer ziek wordt. Er lijkt op zich redelijk geloofwaardige wetenschappelijke basis te bestaan voor dit idee, voor zover ik dat kan weten zonder er zelf wetenschappelijke expertise in te hebben.

Vanuit dit idee over verhoogde risico’s blijkt het nogal voor de hand te liggen om iemand te ontmoedigen die bijvoorbeeld na een psychische crisis nog een uitdagende studie wil gaan doen, of om zo iemand in ieder geval niet in een verantwoordelijke positie te willen, en hem of haar eigenlijk (onbedoeld) een volwaardig leven zo ongeveer onmogelijk te doen toeschijnen, aangezien alles wat hij/zij wil, opeens te hoog gegrepen zou zijn…En dat ervaar ik overduidelijk als stigma.

Desondanks zou het kunnen dat er inderdaad sprake zou zijn van een hoog risico, en dat daaraan gekoppelde oordelen niet onrechtvaardig zouden zijn.

Wat de wetenschap ons (niet) kan vertellen over de risico’s voor het individu.

De wetenschap kan bijvoorbeeld zeggen, dat mensen die ooit een depressie gehad hebben, een grotere kans hebben op een volgende depressie. Door een groot aantal mensen in de gaten te houden en zorgvuldig volgens wetenschappelijke methodieken incidenties te turven, kan men inderdaad een dergelijke uitspraak wetenschappelijk funderen.

Deze bevindingen gelden echter voor groepen mensen, waarbinnen vaak een aanzienlijke variatie bestaat. Het is dus niet wetenschappelijk verantwoord om deze bevindingen zomaar terug te projecteren op een individu.

Bovendien zijn dergelijke incidentiecijfers lang niet voldoende om uitspraken te kunnen doen over de oorzaken. En zonder kennis van de oorzaak, wordt het nog moeilijker en onwetenschappelijker om nog iets zinnigs te zeggen over de risico’s voor een individu.

Naast het idee van de onderliggende biologische gevoeligheid voor depressies, liggen wat mij betreft nog heel andere oorzaken voor de hand. Waarvan ik niet uit wetenschap weet, maar uit eigen ervaring en contact met andere mensen met ervaring.

Ten eerste: Behandeling van een depressie bestaat al te vaak alleen uit psychologisch een beetje pappen en nathouden in combinatie met nadruk op medicamenteuze behandeling. Dit terwijl er (volgens mij) onderliggend vaak veel meer dan een biologische kwestie, een existentiële kwestie speelt. De persoon met een depressie weet zich niet goed te verhouden tot het eigen leven, is op een verkeerd spoor geraakt, en heeft nieuwe vaardigheden, andere ervaringen, een nieuw perspectief nodig. Soms wordt daar wel aan gewerkt tijdens de depressie en het herstel daarvan, maar soms ook niet. De mensen bij wie het niet gebeurt of bij wie pogingen daartoe niet slagen, zijn na hun eerste depressie eigenlijk niet genezen, maar alleen weer even een beetje opgelapt. Zij krijgen zo goed als zeker een volgende depressie, maar dat is gewoon dezelfde depressie! Echter in de cijfers tikt het lekker aan op deze manier.

Ten tweede: Het algehele ontmoedigingsbeleid, gebaseerd op het “wetenschappelijk gefundeerde” idee van een onderliggende biologische kwetsbaarheid, die een verhoogd risico zou blijven vormen. Dit heeft het in zich om een self-fulfilling prophecy te worden. Mensen, óók gezonde en zelfstandige mensen, zijn gevoelig voor elkaars oordeel, en ik betwijfel of de psychische gezondheid van de meeste “gezonde” mensen zou standhouden als zij geconfronteerd zouden worden met de oordelen die iemand over zich heen krijgt als eenmaal bekend is dat er sprake zou zijn van een psychische stoornis. Ik heb dus een sterk vermoeden dat stigmatisering een vrij grote bijdrage levert aan de ongunstige cijfers die de wetenschap kan vaststellen voor mensen die ernstige psychische problemen gehad hebben.

Daarbij is het niet eens zo eenduidig dat biologische of zelfs genetische gegevens altijd tot onveranderlijke eigenschappen zouden leiden.

Vanuit de wetenschap zijn er de afgelopen tijd steeds meer aanwijzingen gekomen dat de hersenen toch meer aanpassings- en veranderingscapaciteit hebben dan ik nog geleerd heb in de biologieles.

In ieder geval is mijn eigen emotionele stabiliteit geen absoluut onveranderlijk gegeven, aangezien deze nog dramatisch veel slechter geworden is in de periode dat ik behandeld werd voor een onjuiste diagnose, terwijl er daarna juist duidelijke verbeteringen in gekomen zijn. Weliswaar is deze dynamiek moeilijk te onderscheiden van symptomen van de “ziekte” zelf die nu minder worden door “genezing”.

Wat dat betreft is het begrip van wat “ziekte” is, en wat de “symptomen” daarvan zijn en wat bij de “oorzaak” hoort, sowieso nog rampzalig slecht te onderscheiden in de psychiatrie met dank aan het DSM-systeem.

Ook dit bemoeilijkt het gebruik van “wetenschappelijke” bevindingen nogal. Zo worden er “ziektes” onderzocht waarvan feitelijk niet eens zeker is of ze wel bestaan als zodanig. Het valt dan al niet mee om duidelijke resultaten te krijgen, maar soms worden er toch afwijkingen aan de hersenen opgemerkt bij onderzoek aan mensen met een psychiatrische diagnose. Zo lang deze afwijking echter niet consistent en specifiek aanwezig is bij alle personen met een bepaalde diagnose, is het onwetenschappelijk om te beweren dat als iemand symptomen vertoont waarmee de diagnose via de DSM binnengeharkt kan worden, die persoon dan dus ook de afwijking in de hersenen zou hebben die men bij onderzoeken naar die diagnose wel eens gezien heeft. Toch wordt dit vaak moeiteloos en met groot gezag zo gesteld.

Ervaringskennis heeft ook iets toe te voegen.

Los van statistiek en speculaties over hersenplaatjes is het voor mij persoonlijk duidelijk genoeg dat er veel verandering mogelijk is in mijn gedrag en psychische toestand, al zie ik ook al te goed dat ik in sommige opzichten steeds maar niet schijn te kunnen veranderen. Dit is iets dat ik over het algemeen bij andere mensen ook terugzie. Soms valt daarbij op dat vanuit het ene perspectief alleen maar ellende, en vanuit een ander perspectief spectaculaire verbetering te zien is.

Eigenlijk bestaat er geen goed recept om menselijke ontwikkeling te voorspellen of zelfs in een met zekerheid gunstige richting te sturen, en dit maakt leven en ontwikkeling van mensen erg spannend. Maar door verbeterde zelfkennis en levensvaardigheden kan iemand de eigen psychische gezondheid wel degelijk relatief veilig leren stellen ondanks oorspronkelijk aanwezige riskante (biologische) eigenschappen. Mogelijk heeft zo iemand in vergelijking met een ander, die van nature een gunstiger biologisch profiel voor psychische gezondheid had, en nooit aan zichzelf heeft hoeven werken, zelfs een lager risico en vooral ook meer inzicht en mogelijkheden!

 

Waarom ik mijn beestje liever niet bij de DSM-naam noem.

Soms wordt er nog wel gezegd bij het praten over psychische ‘aandoeningen’: je kunt het beestje het beste bij de naam noemen. Met de de naam van het beestje wordt dan vaak de DSM-diagnose bedoeld.

De diagnose die ik tijdens mijn laatste behandeltraject had, was binnen het DSM-construct wel de meest juiste keuze die mijn psychiater had kunnen maken. Toch gebruik ik de naam van de diagnose over het algemeen niet graag bij het omschrijven van mijn problemen.

In dit stuk wil ik het er voor deze keer wèl over hebben. Dan hebben we het over de “Ontwijkende Persoonlijkheidsstoornis”. Ofwel het voldoen aan de volgende criteria zoals omschreven in de DSM:

Een diepgaand patroon van geremdheid in gezelschap, gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:

  • vermijdt beroepsmatige activiteiten die belangrijke intermenselijke contacten met zich meebrengen vanwege de vrees voor kritiek, afkeuring of afwijzing
  • heeft onwil om bij mensen betrokken te raken, tenzij er zekerheid bestaat dat men hem aardig vindt
  • toont gereserveerdheid binnen intieme relaties uit vrees vernederd of uitgelachen te worden.
  • is gepreoccupeerd met de gedachte in sociale situaties bekritiseerd te worden of afgewezen te worden.
  • is in intermenselijke situaties geremd vanwege het gevoel tekort te schieten.
  • ziet zichzelf als sociaal onbeholpen en voor anderen onaantrekkelijk of minderwaardig.
  • is uitzonderlijk onwillig persoonlijke risico’s te nemen of betrokken te raken bij nieuwe activiteiten omdat deze hem in verlegenheid zouden kunnen brengen.

Op zich raakt de globale omschrijving bovenaan, aardig de kern: “Diepgaand patroon (…) van gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel (…)”. Wat dat betreft niet slecht, voor een DSM-classificatie.

Ook met het voldoen aan de criteria kan ik wel instemmen, zeker in gesprek met de hulpverleners die dit zo zagen. Dit is ook relatief goed te doen zoals altijd in de DSM, omdat je nooit aan alle kenmerken hoeft te voldoen. Dat ik vaak juist graag betrokken raak bij nieuwe activiteiten, ondanks angst om in verlegenheid te komen, verhindert dus niet dat de diagnose van toepassing is.

Toch zou ik deze bewoordingen zelf nooit gekozen hebben. Ik heb dus het gevoel dat ik er maar aan toegeef omdat de DSM nu eenmaal niets beters te bieden heeft. Niet omdat het zo’n geweldig rake omschrijving is. Het is niet alleen de woordkeuze die stoort, maar ook dat het probleem eenzijdig omschreven is. Een aantal voor mij essentiële zaken blijven buiten beeld, waardoor een verontrustend vervormde, potentieel misleidende weergave van mijn probleem ontstaat.

Erger nog dan de DSM-criteria, zijn sommige omschrijvingen die professionals nota bene verspreiden om het algehele beeld te illustreren, zoals deze: http://www.e-psychiater.nl/psychiatrie/persoonlijkheidsstoornissen/ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis/

Bijna van begin tot einde zwaar irritant, maar voor mij persoonlijk is het dieptepunt wel bereikt met:

 Leuk iets nieuws ondernemen, op avontuur uitgaan, een praatje met iemand aanknopen, dat is allemaal niets voor iemand met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. 

Al vind ik

Het kan bij iemand met een ontwijkende persoonlijkheid wel eens lang kunnen duren voordat je er achter bent dat het stille water toevallig een ondiep plasje was

ook bijzonder irritant, maar dit wordt in de context waar ik hem uit gehaald heb, tenminste nog gerelativeerd.

Sowieso zijn de meeste omschrijvingen van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis in strijd met de temperamenteigenschap “novelty seeking”. Toch een eigenschap waarvan de psychiater die de diagnose bij me stelde aangaf dat ik die ook in hoge mate bezit, naast de voor de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis meer typerende “harm avoidance”. Deze aanvullende uitleg van hem was voor mij herkenbaar en verhelderend. Daardoor voelde ik me alweer beduidend beter begrepen door hem, dan door de diagnose op zich.

Vanwege “novelty seeking” was sociale vermijding voor mij aanleiding tot nog beduidend hogere lijdensdruk dan gemiddeld bij sociale angst, zodat ik vaker dan bij deze angst verwacht zou worden, situaties toch opzocht. Dit wel tegen de prijs van het moeten ondergaan van een intensiteit van angst die vrijwel iedereen uit de weg zou gaan, en die normaal functioneren in veel situaties volstrekt onmogelijk maakte. Iets dat helaas ook wel verkeerd begrepen is als een onafhankelijk van de angst bestaand onvermogen tot functioneren, dat vervolgens angst op zou roepen. Een voor de hand liggende, maar voor mij haast fatale misinterpretatie.

Misinterpretaties van gedrag liggen sowieso vaak voor de hand bij het denken in DSM diagnoses. Dit effect wordt nog versterkt door de stereotyperingen die om de diagnoses heen gecreëerd worden, en die een eigen leven gaan leiden naast de DSM-symptomenlijstjes zelf.

Omdat mijn gedrag in een aantal opzichten regelmatig in tegenspraak is met het stereotype van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, is het al te verleidelijk om direct te concluderen dat ik wel iets anders zal hebben! Of, als toch herkend wordt dat ik aan de criteria voldoe, gaat men ijverig op zoek naar een comorbide stoornis er bovenop om de atypische gedragingen te verklaren!

Al dat stoornissen zoeken en zelfs ten onrechte vinden is behoorlijk schadelijk geweest voor mijn toch al tot negativiteit neigende zelfbeeld. Volgens mijn psychiater was het bovendien overbodig. Niet iedere atypische eigenschap zou een stoornis als verklaring moeten krijgen, vindt hij. “Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis” was voor hem de juiste DSM-classificatie van mijn probleem, maar zeker geen beschrijving van mijn gehele persoonlijkheid!

Dat zouden DSM classificaties ook nooit zijn, zoals ik wel vaker hoor.

Bij persoonlijkheidsstoornissen zit daar toch nog een extra moeilijkheid. Daar wordt wel van gezegd dat het niet echt ziektes zijn, maar problematisch extreme variaties van persoonlijkheden. Op zich denk ik daar ook ongeveer zo over. Echter, juist zo bezien ligt het voor de hand om de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis te interpreteren als een extreme variant van een angstige en introverte persoonlijkheid, met hoge “harm avoidance” en lage “novelty seeking”. Passend bij de afschuwelijke stereotyperingen die professionals erover online zetten…

Strikt genomen kan ik dan altijd nog zeggen dat zo’n stereotype interpretatie toch maar een voorbeeld is en dat het er in werkelijkheid best anders uit kan zien. Natùùrlijk hebben mensen eigenschappen die “niet bij hun stoornis passen”, of die de aandacht afleiden van de kern van het probleem. Daarom is diagnosticeren ook echt niet zo gemakkelijk! Zelfs niet met kant-en-klare symptomenlijstjes…..of JUIST niet met kant-en-klare symptomenlijstjes?

Nu mijn GGZ-dossier gesloten is, is het bovendien onmogelijk geworden om zinvolle uitspraken te doen over mijn actuele diagnose. Tijdens het eindgesprek vertelde mijn psychiater dat dit niet geregeld is in het diagnostisch systeem. Voor hem leefde het “beestje” sowieso slechts in dienst van de GGZ behandeling, en hoefde het nu dus geen naam meer te hebben.

Eigenlijk zou het me juist best handig lijken om mijn problemen met een paar woorden aan medisch jargon te kunnen omschrijven, vergezeld van een compacte uitleg voor wie het jargon niet kent. Maar het noemen van een naam die mensen op het spoor zet van misleidende stereotyperingen vermijd ik toch liever…!

Laat een einde komen aan het eeuwig “herstel”!

Vanwege de titel zal ik het direct recht proberen te zetten: De “herstel” beweging in de psychiatrie heeft veel goeds gebracht. Zij heeft veel mensen met vernietigende ervaringen in de psychiatrie geholpen om weer wat eigen regie te pakken. Dat was in ieder geval een belangrijke stap voor iedereen die zich het slachtoffer voelde van een bestaan dat geregeerd werd door diagnose en medicatie. Het werkte bekrachtigend om weer te willen en durven leven, in plaats van slechts lijdzaam te overleven.

Desondanks zitten er kanten aan het “herstel” verhaal waar ik bepaald minder enthousiast over ben, en waarvan ik denk dat het misschien wel anders zou moeten. Dit zijn zelfs elementen die over het algemeen een belangrijke plaats krijgen in het gebeuren rondom ervaringsdeskundigheid en herstel.

Laat ik dit uitleggen aan de hand van een citaat uit mijn map van de cursus “Werken met eigen ervaring”:

Een van de belangrijkste lessen die ik heb moeten leren is dat herstel niet hetzelfde is als genezing. Ik heb 21 jaar met deze ziekte geleefd en ik leef er nog steeds mee. Ik mag daarom aannemen dat ik nooit “genezen” zal zijn, maar dat ik op weg ben naar herstel. Herstel is een proces, geen doel in zichzelf. Herstel is een houding, een strategie om de dag en de dagelijkse uitdagingen de baas te worden. Voor mij betekent dat dat ik weet dat ik bepaalde beperkingen heb en dat er dingen zijn die ik niet kan. Maar in plaats van toe te staan dat ik daardoor wanhopig word en het hoofd in de schoot leg, heb ik geleerd dat de wetenschap van wat ik niet kan me ook laat zien wat ik wel kan.”

Aldus Pat Deegan, gediagnosticeerd met schizofrenie, en een van de belangrijkste grondleggers van herstel. Vanuit haar situatie gesproken, wijze woorden, die ook getuigen van veel levenskracht en moed.

Het probleem van de gegeneraliseerde herstelvisie.

Wat mij nu opvalt is dat Deegan hier heel netjes voor zichzelf spreekt. Desondanks is het precies dit idee over herstel dat wijd uitgedragen wordt voor iedereen. Natuurlijk wel met de altijd alles oplossende toevoeging dat het voor iedereen anders is. Zo kun je niet meer redelijkerwijs op onwaarheden genageld worden: als iemand het er niet mee eens is, is het voor die persoon gewoon anders. Dat lijkt een handige oplossing om een abstract concept dat op mensen van toepassing gemaakt wordt ( in dit geval “herstel”) naar iedereen zijn zin te maken. Toch lijkt het mij niet juist.

Eigenlijk lijkt het zelfs een beetje op de manier waarop diagnoses soms te pas en te onpas opgerekt worden om maar te kunnen blijven verdedigen dat iemand het heeft, ondanks een belangrijk gemis aan precies de symptomen die toch als kern van de diagnose verondersteld worden. En net als daar kan het ook hier ten onrechte de indruk wekken dat volledige gezondheid onbereikbaar geworden is. Er is in beide gevallen sprake van beperkingen, die impliciet zowel absoluut gemaakt worden als ook significant te onderscheiden van die van “gezonde” mensen.

Beperkingen van het woord “herstel”, en meer beperkingen door het als iets oneindigs te zien!

Hoe positief ook vanuit bepaalde uitzichtloze omstandigheden in de psychiatrie, het woord “herstel” impliceert toch echt dat het niet verder kan gaan dan iets terug in orde maken. Een ontwikkeling die op een hoger niveau uitkomt dan voor de crisis, lijkt bij het gebruik van het woord “herstel” al uitgesloten. Even hoog uitkomen is het eeuwige en onbereikbare ideaal waar je de rest van je leven aan mag gaan wijden.

Dit terwijl het zelfs vanuit medisch perspectief lang niet altijd waar is dat iemand die flinke psychische problemen gehad heeft, nooit meer volledig gezond zou kunnen worden. Het lijkt wel of heel de herstel-beweging meegetrokken wordt in een reactie op de meest vernietigende medische prognoses die er uitgedeeld zijn.

Het ligt eigenlijk ook wel voor de hand dat de mensen die genezen minder invloedrijk zijn in de herstelbeweging. Mensen voor wie herstel een doel is dat ze bereiken en achter zich laten, zullen over het algemeen verdergaan met een leven dat niets meer met psychische aandoeningen te maken heeft, en zich minder betrokken blijven voelen bij de herstel-beweging. Die blijft zodoende grotendeels in handen van mensen die niet genezen, ernstig getraumatiseerd zijn in de psychiatrie, of niet durven te geloven dat ze genezen zijn.

Zo wordt er toch een wat scheef beeld van herstel gecultiveerd. Dat zou ik graag anders zien want ik vind het ontmoedigend. Het dreigt mij aan te trekken tot de groep die niet durft te geloven dat ze genezen zijn, en precies daardoor inderdaad niet kan genezen. De prognose van mijn laatste psychiater komt me in ieder geval beduidend gunstiger voor dan wat ik keer op keer ervaar in mijn omgang met de herstelbeweging.

In deze ontmoediging door omgang met de herstelbeweging – die, ik zeg het nog maar eens, ook juist beduidend bekrachtigende elementen in zich heeft – gaan het idee dat ik mezelf nooit meer als een werkelijk geestelijk gezond persoon zou kunnen zien en de “wetenschap van wat ik niet kan” (uit het citaat van Deegan) hand in hand.

De “wetenschap van wat niet kan” als beperking en bevrijding…!

Een aanzienlijk deel van mijn leven ben ik bezig geweest om een wetenschap van wat ik niet kan op te bouwen. Uiteindelijk is de meest zekere kennis die ik heb kunnen verwerven over wat ik niet kan: dat ik niet met zekerheid kan achterhalen wat ik ècht niet kan. Soms lukken dingen niet, dat is duidelijk genoeg. Maar wanneer wordt dat tot een bewijs dat ik het ook echt niet kan? Of zelfs tot een bewijs dat ik het ook niet kan leren?

Wel ben ik tot het inzicht gekomen dat een overmatige focus op, en intensiteit van emotionele ervaring bij mijn eigen fouten en tekortkomingen een belangrijke rol spelen in mijn psychische problemen. Het bewust bedrijven van een wetenschap van wat ik niet kan, toont mij dus in eerste instantie altijd zeer duidelijk en indringend dat ik helemaal niets kan.

Dat is ook echt waar, want er is niets dat ik onder alle omstandigheden perfect kan doen. Alleen van deze wetenschap word ik bepaald niet beter.

Tot ik ook “gezonde” mensen ga meenemen in mijn wetenschap van het niet kunnen, en ik erachter kom dat (in mijn interpretatie van “kunnen”) ook zij helemaal niets kunnen…!

Dat is mijn ingang om weer te kunnen zien wat ik allemaal wel kan. Pas hiermee verwerf ik het uitzicht dat ik niet eeuwig gedoemd hoef te zijn tot een proces dat hoe dan ook nooit meer helemaal gezond kan worden, en dat in de aard van het woord niet hoger kan komen dan het begonnen is.

Pas in deze wetenschap van wat gezonde mensen ook niet kunnen, heeft mijn herstel kans om zijn doel te bereiken, en over te gaan in ontwikkeling als mens!

Verstandige vermijding van waarheden, bestaat dat?

Al heb ik mond en toetsenbord vol met het verwerpen van tunnelvisies en aanverwante lafheden, ik zelf maak me er ook schuldig aan. In de praktijk heeft het verdomd weinig om het lijf met mijn streven naar openheid voor alle aspecten van de waarheid. Maar is dat altijd lafheid te noemen?

Er is weer een aanslag in de publiciteit, relatief dichtbij deze keer. Toch wel even schrikken. In hoeverre mag ik mijn dagelijkse zorgen nog serieus nemen, terwijl er ook zulke dingen gebeuren? In hoeverre loop ik kans om opgeblazen te worden als ik nog eens in een grote stad ben? Hoeveel kans dat we binnenkort in oorlog leven hier in ons lange tijd zo kalme polderlandje?

Plotseling realiseer ik me weer eens hoe slecht ik eigenlijk op de hoogte ben van wat er in de wereld gaande is. Af en toe pik ik, afhankelijk van toeval en hypes, wat dieptepunten en de grote lijnen op, maar ik volg het nieuws niet echt. Eigenlijk vlucht ik hiermee voor de realiteit en onttrek me bovendien aan mijn verantwoordelijkheid als wereldburger! Op zijn minst zou ik voldoende op de hoogte moeten zijn om mijn eigen positie in dit alles te bepalen, en te beslissen wat ik zelf kan doen om zo goed mogelijk om te gaan met de gang van zaken in de wereld. Maar nee, dat is me blijkbaar teveel moeite en te emotioneel belastend…

De actualiteiten die momenteel het nieuws halen, zijn daarin niet eens mijn enige zorg. Milieu en mensheid baren me al zorgen sinds mijn kindertijd, net als de manier waarop de kennisontwikkeling lijkt te verlopen. Ik zie dit als steeds hoger gestapelde, steeds meer topzware kennis, waaronder de basis hoe langer hoe hoger en dunner wordt. Een bouwsel dat op instorten staat!

Dit lijkt me intussen zelfs nog erger geworden. Alle problemen schijnen opgelost te moeten worden met meer en meer technologie, terwijl niemand nog leert hoe vanuit simpele en natuurlijke middelen iets zelf te maken. We zijn totaal afhankelijk geworden van technologie en van elkaar, daarbij óók van mensen die we helemaal niet kennen en waarvan we helemaal niet zo zeker kunnen zijn dat ze betrouwbaar zijn. Eigenlijk vermoed ik dat dit onze ondergang gaat worden. Maar al voor ik klaar was met de basisschool, heb ik dit geparkeerd en het daarna nooit meer volledig onder ogen willen zien.

flat earthAfbeelding: Kaart van op basis van Theorie van de Platte Aarde met baan van de zon berekend op basis van metingen op Aarde. Bron: Facebook pagina van Flat Earth Society.

Gelukkig kwam er deze week een vriend langs die mij effectief uit mijn laffe vlucht- en ontkenningsgedrag wist te helpen. Zomaar voor de gein wist hij geloofwaardig te maken dat de Aarde plat was, en dat we daarover dus collectief voorgelogen worden. Veel argumenten die gebruikt worden om aan te tonen dat de Aarde rond is, blijken helemaal niet valide. Tenminste, er zijn even geloofwaardige argumenten om ze onderuit te halen. Ruimtefoto’s zijn vaak bewijsbaar nep. Vluchtroutes van vliegtuigen blijken veel logischer als ze uitgezet worden op de kaart van de platte Aarde, zoals gemaakt door de Flat Earth Society. Enzovoorts.

Zelf geloofde hij weliswaar niet in de theorie van de platte aarde, maar toch…

Maar toch, ik begon even goed te voelen dat ik helemaal niet echt weet of de aannames die ik heb aangeleerd over hoe deze wereld in elkaar zit, dan wel iets deugen! Het begon mij een beetje te duizelen.

Het leek me weliswaar geen goed idee om nu direct in de theorie van de platte aarde gaan geloven. Maar wat moet ik beginnen met de enorme onzekerheid waarin ik verkeer over het waarheidsgehalte van alles wat ik geleerd heb te geloven over deze wereld? Als ik zelfs van de platte aarde theorie zo goed als onmogelijk zelfstandig kan achterhalen of die wel of niet deugt? Denkend over dit probleem, openen zich ongekende perspectieven op wat er allemaal aan de hand zou kunnen zijn zonder dat wij brave burgers daar enige weet van hebben.

Maar waarom maak ik er nu weer een probleem van dat ik kan twijfelen aan algemene kennis? Ik wist toch al héél lang dat die helemaal niet betrouwbaar is!

En toch, zo lang ik er niet bewust mee bezig ben, doe ik over het algemeen toch steeds weer alsof deze kennis betrouwbaar is. Als ik dat doe, kan ik zelfs geestelijk gezond lijken.

Maar het IS gewoon een algemeen geaccepteerde vorm van je blindstaren in een tunnelvisie.

Tunnel ingang

Een tunnel: Handig als je door een berg heen wilt, maar toch jammer als je heel de berg niet gezien zou hebben….of als je lopend een tunnel in gaat die voor heel ander verkeer bedoeld is….!

 

In het stuk “Licht buiten de tunnelvisie” merkte ik, ondanks het aanprijzen van openheid, ook al op dat tunnelvisies nodig kunnen zijn voor het normale functioneren. De meeste mensen die geestelijk gezond “open-minded” zijn, handhaven een afgezwakte, grotendeels tot theorie beperkte vorm van openheid. Èchte openheid voor àlle kennis, inclusief kennis over hoeveel we NIET weten, kunnen we ons helemaal niet permitteren.

Om dus binnen je menselijke vermogens zo open mogelijk met kennis en realiteit om te gaan zonder in geesteszieke toestanden te vervallen, is het dus belangrijk om de juiste keuzes te kunnen maken over welke realiteiten en mogelijkheden je buiten wilt sluiten.

Het lijkt me daarbij wel goed om te oefenen in het verdragen van kennis en in het maken van keuzes in de omgang ermee. Keuzes over wat voorlopig het verstandigste lijkt om te geloven, zelfs wetend dat de werkelijkheid toch heel anders zou kunnen zijn. Keuzes over welke onderwerpen je echt het belangrijkst vind en waar je het meeste mee kan. Durven proberen òf er iets mee kan. De frustratie over alles wat niet lukt of zelfs onmogelijk zou kunnen blijken, en de angst voor de onbekend gebleven waarheid leren verdragen zonder te hoeven vluchten of ontkennen.

Daarbij òòk de frustratie over het tekortschieten in deze oefening zelf, die niet gemakkelijk is. Te ver over je grenzen te gaan en je verliest het geestelijk evenwicht, teveel achter je grenzen blijven verstoppen en je blokkeert je ontwikkeling als mens. Kies je eigen risico en creëer je eigen kans! Zonder werkelijk te weten wat je doet, natuurlijk!

En ja, soms word ik daar wel wat nerveus van.