Geen persona of geen persoonlijkheid?

Soms zou ik wensen dat ik helemaal geen persoonlijkheid nodig zou hebben. Ik wil gewoon een leven hebben, in plaats van steeds aan mezelf te moeten werken. Het duurt nu al zo oneindig lang dat ik dat probeer, en het lijkt ook niet eerlijk. Andere mensen zijn er ook lang niet altijd zo mee bezig om zichzelf steeds te moeten verbeteren, terwijl die toch ook niet allemaal zo’n enorm hoogstaand ontwikkelde persoonlijkheid lijken te hebben. Natuurlijk zijn daarin grote verschillen, maar ik meen toch dat er meer dan genoeg mensen rondlopen die zichzelf zelfs nog slechter voor elkaar hebben dan ik mezelf en het desondanks stukken beter naar hun zin hebben en/of in hoger aanzien staan. Dus waarom moet ik dan zo nodig maar blijven sleuren aan mijn persoonlijkheid die zich afwisselend als dood paard, paniekerig paard en opstandig paard gedraagt bij alles wat ik eraan zou willen verbeteren?

Natuurlijk omdat dat ik me nog steeds regelmatig met dermate schaamtevolle stumperigheid achter de vermeende feiten aan zie rennen dat ik nog veel liever hard zou weglopen. Het lijkt dan wel of ik echt helemaal NIETS goed kan doen. Bijna niets wat ik van mezelf zou kunnen laten zien lijkt aanvaardbaar voor mezelf en al helemaal niet om door een ander gezien te worden. Mochten er nog wat fragmentjes overblijven die ik wel vind kunnen, dan zijn dat er toch echt niet genoeg.

Het is wel de vraag wat het dan precies is waar ik zo schandalig op misgrijp in zulke panieksituaties. Voor een deel kan die narigheid veroorzaakt worden doordat ik tijdelijk niet in staat ben om mijn eigen goede en sterke kanten te zien, terwijl mijn fouten en tekortkomingen overmatig de aandacht opeisen. Dan zie ik mijn schaduw dus groter dan mijn persoonlijkheid, maar betekent dat ook dat er met mijn persoonlijkheid zelf iets mis is?

Vaak ben ik vooral ook erg bang voor wat de ander ziet. Ik ga er dan van uit dat dit zeer negatief is en bovendien dat het als het negatiever is dan wat ik oorspronkelijk zelf dacht over mezelf, het dus ook meer waar is dan wat ik zelf dacht. Eigenlijk is het dan meer mijn “persona” dan mijn persoonlijkheid die mijn wantrouwen in eerste instantie wekt. De betekenis van “persona” is ook wel masker. Het is dus iets eigenlijk oppervlakkigs dat je verkiest aan anderen te laten zien. In het normale sociale verkeer worden dergelijke maskers veel gebruikt, en het ontwikkelen van een geschikte persona voor voorkomende situaties kan wel gezien worden als onderdeel van normale persoonlijkheidsontwikkeling. Desondanks lijkt mij ook dat een echte, goed ontwikkelde persoonlijkheid zou maken dat je die oppervlakkige maskers niet meer nodig hebt, omdat je als compleet persoon in staat bent om in iedere situatie zowel authentiek te blijven, als ook voldoende aangepast te zijn aan de situatie en sociale context. Zowel in contact met je diepste innerlijke passies als ook in vruchtbare verbinding met de buitenwereld zou je optimaal in je kracht komen en creatief kunnen realiseren wat je aan mogelijkheden hebt in het leven…

Deze voorstelling maakt verder werken aan persoonlijkheidsontwikkeling dan toch wel weer aantrekkelijk. Het kan dan wel zo zijn dat veel anderen ook niet optimaal ontwikkeld zijn, maar dit is eigenlijk toch niet voldoende reden zijn om het zelf dan ook maar niet meer te proberen. Complexe emotionele conflicten en crisis schijnen zelfs te kunnen bijdragen aan diepgaande ontwikkelingen van persoonlijkheid, zodat mijn vermeend kansloze achterstand op de vermeende feiten misschien toch niet zo onoverkomelijk hoeft te zijn als het mij in de angst steeds voorkomt. Maar ga mij niet vertellen dat de angst altijd liegt, want dat zou in strijd zijn met het beetje persoonlijkheid dat ik tenminste al wel heb!

Wel zou ik me zowel in dit blog als overal anders ook wel graag eens van een totaal andere kant willen laten zien, en zonder steeds mijn schaduw voor mijn persoonlijkheid te schuiven bij gebrek aan persona. Ook zou ik mezelf wel helemaal willen kunnen overslaan en juist met al het andere bezig gaan, dat zo veel verrijkender is of lijkt, maar dan lijkt de keuze die ik zou kunnen maken uit en de manieren waarop ik zou kunnen omgaan met “al het andere” toch weer al te griezelig naar mij zelf terug te verwijzen. Bij leven de eigen persoonlijkheid vermijden is kortom een onmogelijke opgave, maar ik vind het nog altijd erg lastig wat ik er dan wel mee moet.  Voor de rest gaat het trouwens wel prima, hoor (echt waar!).

*

(Afbeelding: Een werk van Titia van Beugen)

WAT mag eigenlijk “werkelijk leven” heten?

Een aantal keren al, heb ik geschreven over “leven” als zijnde iets dat ik nog moet leren, waarvoor ik angsten moest overwinnen, en zelfs als iets dat onmogelijk leek, iets dat ik bij volledig bewustzijn toch verloren kon hebben.

Het is tegenwoordig vrij gebruikelijk om het woord “leven” in een dergelijke betekenis te gebruiken, verwijzend naar iets anders dan wat het in zuiver biologische zin betekent. Het idee dat je niet echt “leeft” als je bijvoorbeeld niet tot het uiterste gaat, niet geniet of niet succesvol bent et cetera, is wel haast een cultuurfenomeen te noemen.

Hoewel ik zelf altijd het gevoel gehad heb dat een dergelijke vorm van levensdrift, die een leven op een laag pitje niet kan accepteren, voor mij geheel natuurlijk is, wordt er dus ook vaak gesuggereerd dat dit iets is waarmee mensen zich door de huidige in westerse welvaartslanden heersende cultuur het hoofd op hol laten jagen. Ik denk wel dat het feit dat de cultuur het óók nog eens eist, de totale druk van deze zelfverwerkelijkingsdrift gevaarlijk hoog kan doen oplopen.

Wat ik geneigd ben onder “werkelijk leven” te verstaan als ik niet uitkijk, is voortdurend maximale stimulatie, afwisseling en uitdaging, waarbij sympathisch zenuwstelsel, zintuigen en spieren alle registers opentrekken en er daarbij bovendien nog in slagen de niet-stressgerelateerde hersendelen maximaal te doen functioneren.

Naast dergelijke redeloos opgeklopte verwachtingen van mijn acties en ervaringen, zijn er ook nog de prestatie-eisen waarbij ik alleen mag overleven als ik de aller-, allerbeste ben, en ik mag nooit iets doen waar in de ogen van enig ander ook maar iets mis mee is. Laat staan natuurlijk dat ik iets mag doen of nalaten in strijd met wat ik zelf goed vind!

Zo bezien zijn er drie belangrijke problemen met mijn leven, die maken dat ik zelf het gevoel kan hebben dat ik “niet leef”:

  1. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe en ervaar om het “leven” te mogen noemen.
  2. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe om mezelf het recht te durven gunnen dat ik màg leven.
  3. Het moeten voldoen aan deze onmogelijke eisen roept dusdanig intense stressreacties op, dat ik niet anders meer kan dan tamelijk primitief vermijden of afreageren. Hiermee versterk ik de hele situatie “Ik leef niet en heb daar het recht ook niet toe”, zoals deze volgt uit de combinatie van mijn eisen en de werkelijkheid.

Eigenlijk denk ik dat veel mensen in deze cultuur een beetje deze problemen hebben. Meestal kunnen mensen nog wel voorkomen dat dit soort existentiële problematiek al te storend en al te bewust wordt, of dat het zelfs duidelijk merkbaar wordt voor anderen. Maar het lééft wel bij veel mensen. De huidige tijdgeest is niet voor niets uitgemaakt voor “Borderline Times” en “Age of Anxiety”. Al schijnt die laatste term ook al voor andere, vroegere tijden gebruikt te zijn. Het doordraven van zowel mensen als hele samenlevingen is dan mogelijk toch van alle tijden…

 

Het streven om “werkelijk te leven”, dat ik als natuurlijke drift ervaar, beschouw ik op zichzelf toch nog steeds als gezond. Tegelijk herken ik ook de dynamiek waarin het tot een onmogelijke eis verwordt, die zowel door de natuurlijke drift als ook door de cultuur opgejaagd word. Ik moet dus uitkijken dat ik wel realistisch blijf over wat onder “werkelijk leven” verstaan dient te worden. Hoge intensiteit van actie, ervaren en ook denken, is wel iets dat er voor mij ècht bij hoort, maar zelfs niet als ik “evenwichtige afwisseling” aanbreng in wàt ik dan zo intens wil doen, kan het niet voortdurend maximaal zijn. Ook is het gewoon niet waar, dat ik alleen mag overleven als ik de aller, allerbeste ben. Wel wil ik graag presteren, maar dat is heel iets anders dan de redeloze maximaliserende dwang die niet toelaat dat enig ander dier ergens beter in is.

Ondanks dit alles, bedacht door mijn redelijk verstand, kan ik nog steeds wel eens het gevoel hebben dat ik “niet werkelijk leef”. Dan zit ik aan de schaduwzijde van mijn leven. Maar ik zie de schaduw zo donker, omdat er ook licht is! Licht in alle intensiteiten en kleuren, méér omvattend dan alleen het zichtbare spectrum. Eigenlijk ga ik juist ook graag in de schemerzone van het leven staan. Daar vandaan kan ik tegelijk contact maken met zowel de lichte als de duistere kant. Het voelt niet altijd goed maar ik leef wel degelijk en zelfs in zekere zin juist zó heel erg “ten volle”.

Wel zie ik vanuit mijn observatiepost in de schemering helder genoeg: Ik ben nog altijd niet voldoende vertrouwd met het volle daglicht. Gedraag me toch nog te vaak schichtig als een wezen van het duister dat vreest gedood te worden door de blikken van mensen die mij kunnen zien! De angst zit er heel diep in, hoe zeer er ook geen redelijke reden toe is. Er valt nog veel te zien en te doen aan de “lichte” kant van het leven, waar ik mij nog te weinig aan gewaagd heb. Desondanks is het ook nu al “werkelijk leven” wat ik doe, en dat al sinds mijn noodlottige conceptie met alle recht van de wereld bovendien!

fractal where dreams are born

Leven met exposure in soorten en maten.

Exposure bij angststoornissen.

In de behandeling van angststoornissen is “exposure”, het aangaan van de angst, meestal een belangrijk onderdeel. Ik heb zelfs wel eens de neiging gehad om dit te interpreteren als: hoe meer exposure hoe beter. Het leven begon toch buiten je comfortzone!

Weliswaar had ik al lang geen comfortzone meer, of althans, daar had ik verboden gebied van gemaakt, aangezien ik eindelijk eens moest en zou beginnen met leven!

20150718_220549~2

Vaak werd ik vooral enorm gestresst en gefrustreerd door deze pogingen tot exposure. Het voelde dan echt helemaal niet goed, en ik ging nog raar doen ook waardoor ik mijn angsten alleen maar verder bevestigde. Maar net vaak genoeg om het niet op te geven, werkte het dan toch wel. Dan had ik eindelijk eens toegang tot het leven! Altijd te kort weliswaar, maar toch: Leven! Daar deed ik het voor!

Bovendien, hoewel het in angstige situaties vaak voelde alsof het niet zo was, leerde ik er uiteindelijk ook van. Nu constateer ik vaak met groot genoegen dat een situatie die me enige tijd geleden redeloos en radeloos maakte, me moeiteloos af ging alsof ik er in mijn hele leven nog nooit een probleem mee gehad zou hebben!

Weliswaar komt het ook steeds weer voor dat het opeens toch weer wel een probleem is, maar dan heb ik toch al steun van het weten dat ik het eigenlijk wel degelijk kan.

Toch lijkt me achteraf bezien, de mentaliteit waarmee ik het aanging niet altijd even gezond. Ik heb de indruk dat ik door mezelf zo lang aan één stuk door aan stress bloot te stellen, mijn innerlijke stressregulatiesysteem nog verder ontregeld heb. Voor mijn gevoel heb ik mezelf daarbij ook nog eens zo goed als onmogelijk gemaakt bij een veel te groot aantal mensen, door in een redeloze vecht-vlucht-of-bevries modus het “contact” met hen aan te willen gaan…

Wel heb ik nog de hoop dat ik in ieder geval het belangrijkste deel van de daarbij opgelopen schade nog kan goedmaken, zodat ik alles bij elkaar er toch iets mee gewonnen heb.

Exposure in “risk assessment.”

In mijn studie ging het ook over exposure, 4 weken lang aan één stuk door. Het bepalen van de exposure is een van de essentiële onderdelen van de manier waarop risico’s vanuit de wetenschap ingeschat worden. Ik zal mijn lezers niet vervelen met de definities van exposure die in mijn vakgebied gehanteerd worden, maar meestal komt het toch neer op het in aanraking komen met schadelijke stoffen. Exposure is dan hetgene dat van een potentieel gevaarlijke stof pas een daadwerkelijk schadelijke stof maakt. Het is dus iets dat we over het algemeen willen vermijden.

Wel zijn er ook exposures die een gunstig effect kunnen hebben, en waarbij afwezigheid van exposure zelfs schadelijk kan zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor water, vitamines, en lichamelijke inspanning. Toch is het ook bij al deze dingen zo, dat een té hoge exposure ook weer schadelijk is. Als we het effect van zulke stoffen in een grafiek weergeven, krijgt dat een U-vorm. Tenminste in de toxicologie, waar negatieve effecten gemeten worden. Je zou de U ook kunnen omkeren natuurlijk, als je vooral van het positieve wilt uitgaan, maar dat doen we niet 😉

u-shaped-dose-response

Exposure aan fouten.

Zoals ik een beetje liet blijken uit mijn vorige blog, kreeg ik in mijn studie al snel te maken met een overmatige exposure aan het moeten maken van fouten. Dat is niet voor het eerst. Het lijkt erop dat ik nogal gevoelig ben voor fouten die ik maak.

Op zich is dat niet per se een ziekelijke afwijking. Het heeft zelfs het voordeel dat ik in principe minder en kleinere fouten hoef te maken om iets goed te kunnen leren. Bovendien zal ik sterk intrinsiek gemotiveerd blijven om fouten te vermijden, zodat ik in principe nauwelijks externe druk nodig heb om scherp te blijven.

Exposure aan fouten is ook wel te beschouwen als iets dat een u-vormige dosis-respons relatie heeft. Ook ik kan tot niks komen als ik fouten helemaal zou willen vermijden. Tegelijk zal ik ervoor moeten zorgen dat ik me niet laat vergiftigen door die overdosis, die al kan optreden terwijl er voor anderen nog niets aan de hand is. Daarbij moet ik enerzijds voorkomen dat dit ontaard in het nog verder versterken van mijn toch al veel te storende faalangst, en anderzijds dat het geen meedogenloze ophoping van overdoseringen wordt, die het ook alleen maar erger maakt.

Totale exposure.

Exposure blijkt nu echt overal te zijn. De dagelijkse spits van en naar Utrecht geeft mij bijvoorbeeld verhoogde exposure aan allerlei schadelijke stoffen die we in verband brengen met gezondheidsrisico’s. En stress. En reclame-auto’s waarvan ik kan aflezen dat reclame maken ook exposure is. Maar dat wist ik eigelijk al.

Als ik aan het koken ben produceer ik exposure, en bij het schoonmaken, terwijl je door te weinig schoon te maken uiteindelijk ook je exposure verhoogt. Enzovoorts, ik geloof niet dat er nog een einde zou komen aan een opsomming van exposures. Zo lang er leven is, is er exposure zal ik maar zeggen.

Ik heb dus een fantastische studie gekozen om mijn neuroticisme mee te cultiveren. Gelukkig is cultiveren toch heel iets anders dan oncontroleerbaar laten voortwoekeren. Dat zou gemakkelijk schadelijker kunnen worden dan alle risicoverhogende exposures bij elkaar!

Het zo goed mogelijk omgaan met alle exposures is dus niet alleen een wetenschap maar ook een kunst. Ik ben dus ijverig aan het oefenen, en bij de kunst hoort ook: Leven met al die exposures en met het verstandig vermijden ervan. Ondanks alles en dankzij alles, leven! Daar doe ik het voor!

overwinning op het rampjaar 2012

Leren (met) fouten maken, een probleem op zichzelf.

In mijn laatste blog schreef ik dat ik nieuwe dingen zou gaan leren door aan een masterstudie te beginnen. Ik voorzag daarbij ook de nodige problemen. Nu is het dan echt gaande. Zowel het leren als de problemen, toch nog intenser dan het van tevoren voor te stellen was.

Echt nieuwe dingen leren vind ik vooral leuk. Het grote probleem zit hem vooral in oude lessen, die ik niet goed genoeg geleerd heb. Daarbij is het meest basale waarschijnlijk het allerergste: Ik vind het nog altijd een grote ellende om met vallen en opstaan, door fouten, te moeten leren.

Het hele onderwijssysteem is daar echter wel op ingericht. Men denkt dat mensen van nature op die manier leren, zelfs bij intellectuele vaardigheden waarvan al precies bekend is hoe het moet.

Bij het leren van nieuwe motorische vaardigheden probeer ik mijn foutmarge altijd heel klein te houden, omdat ik voorzie dat bij te grote fouten serieuze ongelukken kunnen gebeuren. Vaak is dat zelfs echt waar, alleen gebeurt het in de praktijk naar verhouding tot het aantal pogingen dat mensen doen, niet zo vaak.

Bij intellectuele vaardigheden gebeuren niet direct ongelukken door fouten die je maakt tijdens het leren. Desondanks maak ik ook daarbij niet graag fouten. Volgens mij is fouten maken dan namelijk helemaal niet nodig. Het hele idee van dat iets “fout” is, lijkt me sowieso dat het iets is dat je wilt vermijden!

Het leren van vaardigheden die een theoretische basis hebben, werkt wat mij betreft zo: Iemand legt de theorie uit, en als dat goed gebeurd is, begrijp ik het. Als ik bovendien eventuele formules of regels die van toepassing zijn op het bewuste intellectuele gebied voldoende paraat heb, en voldoende geconcentreerd kan blijven, kan ik binnen het hele gebied waarop de uitleg die ik begrepen heb van toepassing is, foutloos werk leveren. Door te oefenen kan ik daar steeds sneller en handiger in worden, en zal het op den duur zelfstandig gaan toepassen buiten het gebied waar de uitleg over ging. Niet eerder dan op dit gevorderde niveau van zelfstandige creatieve uitbreiding, zijn fouten iets wat er noodzakelijk bij hoort. Als ik eenmaal op dat niveau bezig ben, vind ik het dan ook veel minder erg.

Maar inmiddels heb ik toch al door schade en schande moeten leren, dat het nastreven van een foutloos basisleerproces een nogal zelfdestructieve fout op zichzelf is geworden. Het blijkt hoe langer hoe minder realiseerbaar, en steeds problematischer in mijn leven.

Niet alleen zijn er schrikwekkende gaten in mijn basiskennis gevallen, zodat ik daar al lang niet meer op mijn manier op kan bouwen, terwijl het bovendien onbegonnen werk lijkt om het allemaal te gaan herstellen. Het is simpelweg niet hoe de meeste mensen onderwijs geven. Liever geven ze je wat losse flodders aan op zichzelf al bedenkelijk ogende basiskennis. Daarbij is direct inzichtelijk dat het nog niet het halve verhaal is, dat het geen aanknopingspunten geeft om complicaties op te lossen en bovendien meestal in tegenspraak is met zaken die je eerder geleerd hebt. Maar je zult het ermee moeten doen. Je wordt in het “diepe” gegooid, en mag daar van je fouten gaan leren. Je begripsvermogen legt zich in een onmogelijke knoop maar je hebt het ook niet nodig; begrijpen komt wel als je eenmaal een tijdje bezig bent, zo is de bedoeling.

 

Dan heb ik geen kennis van de tegenstander, de vluchtwegen zijn onduidelijk en bovendien geblokkeerd, en ik moet maar zien hoe ik dat overleef. Het schijnt dat ik iets met risico-inschattingen moet gaan doen. Met cijfers ook nog, en een vage notie waar ze vandaan komen en wat ze betekenen, die echter onmiddellijk verloren gaat zodra je de computer er iets mee laat doen. Mijn medestudenten lijken er ook niets van te begrijpen, maar gaan stoïcijns verder. Onbegrip en fouten maken lijkt ze niet te kunnen raken. Het is immers geen tentamen.

Het is onze basis om te leren hoe je risico-inschattingen maakt. Het lijkt me dat je maar beter goed kunt weten waar je risico-inschattingen op gebaseerd zijn, en hoe je kunt voorkomen dat je er fouten mee maakt.

Anders kom je later nog eens ijskoud met een foute risico-inschatting op de proppen, die gebaseerd is op cijfers die je zelf niet begrijpt. Maar het zijn cijfers en je hebt een wetenschappelijke methode gebruikt. Dus de richtlijnen gaan daar op gebaseerd worden. Je collega’s snappen er namelijk even weinig van, aangezien die op dezelfde manier geleerd hebben om fouten te blijven maken.

(Idiocracy rising!!!)

Je hebt een foute richtlijn geproduceerd die nergens op slaat omdat je zelf niet snapt wat je gedaan hebt, en mensen maken zich leven en werken zo goed als onmogelijk om een risico te vermijden dat helemaal niet echt bestaat behalve in jouw onzinnige berekening.

Of misschien heeft je onzinnige berekening geconcludeerd dat er geen risico is, zodat mensen die erop dachten te kunnen vertrouwen, argeloos dood gaan aan gruwelijke ziektes.

Op den duur leren mensen wel van hun fouten, en begrijpen dat ze in de praktijk niets hebben aan de schijnzekerheden die alle zonder begrip met getallen goochelende “experts” zoal produceren. Men houdt zich dus steeds minder aan de richtlijnen en er zijn regelmatig incidenten die prima voorkomen hadden kunnen worden. Vanwege de ziektes en incidenten worden de richtlijnen nog met een factor 10 aangescherpt, of weet je wat, met een factor 100.

Nu zijn de richtlijnen zo onwerkbaar geworden dat zeker niemand zich er nog aan houdt!

Natuurlijk gaat het aan alle kanten fout, maar dat is altijd de schuld van de betreffende persoon zelf; Zodra er iets fout gaat wordt de richtlijn waar niemand zich aan houdt van stal gehaald om de overtreder als schuldige aan te wijzen. Zo is de bevolking in de greep van ziekte en onrecht, en jij hoort bij de ware schuldigen!

Het is één van mijn “rampscenario’s” die mij storen bij het studeren, mogelijk wat dramatisch aangezet maar veel te realistisch ogend…

Maar ik ben aan het leren, en dat schijn ik te moeten doen door fouten te maken en door eerst te doen en daarna pas te begrijpen. Op zijn minst dàt probeer ik al te doen terwijl ik niet begrijp waarom het nu werkelijk nodig zou zijn. Behalve dan om de leerweg te kunnen blijven volgen die ik ingeslagen ben, de route die de anderen ook volgen…

“Herstel” en mijn herstart in de wetenschap.

Ondanks al mijn goede moed en enthousiasme, kan ik voor mezelf niet ontkennen, dat ik nog flink wat angst heb voor de aankomende start van mijn studie “Toxicology & Environmental Health”. Na een aantal jaren psychiatrie is er bij terugkeer in de maatschappij een heel spanningsveld ontstaan waar je ook nog eens niet zomaar met iedereen over kunt praten.

Als ik niet in het verleden al geschreven had over mijn ervaringen met psychiatrie en aanverwante zaken, zou ik het op dit moment denk ik ook niet het risico waard achten om “uit de kast te komen” op internet. Maar nu wil ik toch graag waar ik kan met mijn schrijven een beetje het pad verlichten van wie, zoals ik zelf, uit de totale duisternis terug het leven en daarbij zelfs “de maatschappij” in probeert te komen…

Sinds mijn crisis lijken verwachtingspatronen over mijn academische prestaties radicaal omgekeerd. Er zijn nog enkele mensen die mij wat beter kennen, die er nog heel wat vertrouwen in stellen, maar er zijn ook mensen die sinds de crisis enorm skeptisch geworden zijn over mijn mogelijkheden. Zelfs mensen die me helemaal niet kennen, maar wel enkele feitjes bezitten over mijn psychische gezondheid en/ of oordelen van anderen daar over, hebben zich vaak erg stellig uitgesproken met in mijn beleving zeer negatieve verwachtingen.

Tijdens mijn re-integratietraject en later bij een telefoongesprek met het UWV, waarbij het over mijn studieplannen ging, werd bijvoorbeeld gezegd: “Eerst maar eens zien of dat niet maar wat wilde plannen zijn”, en “Heb je al besproken of dat wel haalbaar is?”

Terwijl ik dacht: “Wilde plannen? Ik heb geen conservatiever en veiliger plan kunnen verzinnen….” en “Waar zou ik in vredesnaam iemand vandaan moeten halen die beter kan weten of het haalbaar is, dan ik zelf?”

Maar zelfs al ben ik het er niet mee eens, de zelftwijfel die ik vaak toch al wat teveel heb, is flink aangewakkerd met zulke suggestieve vragen, en laat me niet gemakkelijk meer los.

Net als de stereotype dooddoener van opname afdelingen en dagbesteding “Je zit hier niet voor je zweetvoeten”. Erg kortzichtig vond ik die. Ik zat daar inderdaad niet voor mijn zweetvoeten, maar door een verkeerde diagnose en de schade die een daarop gebaseerde behandeling had aangericht.

Maar toch…

Ook een verkeerde diagnose komt ergens vandaan, en niet doordat ik geen klachten gehad zou hebben…Daarbij kan ik de schade van de verkeerde behandeling ook niet ontkennen…Alleen al het feit dat sommige mensen mij blijkbaar met zoveel zekerheid zien als een nogal ernstig gestoord geval bij wie het ook geen belediging, maar realistisch en zorgzaam is om zulke dingen te zeggen…

…Laat ik ook zeker maar niet alles en iedereen gaan citeren die zulke dingen gezegd heeft, anders wordt het straks nog te geloofwaardig dat ze wel gelijk gehad zullen hebben!

De laatste hulpverleners die ik gesproken heb, en andere mensen door wie ik me redelijk goed begrepen gevoeld heb de laatste tijd, vonden wel dat ik mezelf niet zou moeten zien of presenteren als iemand “met beperkingen”. Zelf geloof ik ook niet echt, dat ik zoveel meer beperkingen zou hebben dan de gemiddelde ander. Maar daarmee zijn de problemen nog niet weg, of zelfs maar onzichtbaar geworden voor anderen…

Zo heb ik dus alles bij elkaar nog vrij sterk de neiging, om mezelf enorm veel druk op te leggen om met zekerheid te voorkomen dat de beperkingspredikers gelijk zouden krijgen, of dat nieuwe mensen met wie ik in contact kom, mij ook weer al te ernstig gestoord zullen gaan vinden. Ik moet dus perfect presteren en perfect normaal doen!

Dat is precies mijn perfecte valkuil, waarmee ik mijn eigen graf zo goed kan graven: Ik jaag mezelf angst aan omdat ik geen angst mag tonen. Dat is toch iets dat ik zou willen vermijden, ware het niet dat vermijdingsmotivatie op zichzelf alweer angst in zich besloten heeft liggen!

Was het trouwens niet om te beginnen al uit angst dat het intellectuele het enige is dat ik nog enigszins kan, dat de wetenschap nu toch de minst onveilige keuze leek?

Daarbij ben ik met dit conservatieve plan een aardig eind op mijn eigen schreden teruggekeerd, terwijl ik toch intussen de hele wetenschap en academische wereld al lang achter me afgefakkeld had? (Zie Wetenschap en Waarheid, Is filosofie compatibel met mijn vrije wil)

Het valt te vrezen dat ik er ten onder zal gaan aan rationaliseringen, en anders wel aan veroordeeld worden voor irrationalisme. Daarbij nog al het doodsaaie en toch nog op mijn zenuwen werkende precisiewerk, enzovoorts….

Is er eigenlijk wel werkelijk leven in de “life sciences”?

…Een vraag die een bodem raakt…

Ik kwam een uitspraak van Richard Feynman tegen, die ik heel toepasselijk vind:

I have a friend who’s an artist, and he sometimes takes a view which I don’t agree with. He’ll hold up a flower and say: “Look how beautiful it is”, and I’ll agree. But then he’ll say: I, as an artist, can see how beautiful a flower is. But you, as a scientist,take it all apart and it becomes dull.” I think he’s kind of nutty. There are all kinds of interesting questions that come from a knowledge of science, which only adds to the excitement and mystery and awe of a flower. It only adds. I don’t understand how it subtracts”.

20130617_175123

Mijn negatieve visie op de wetenschap, is de manier waarop die kunstenaar het bekijkt. Maar de visie van Feynman leeft ook in mij. Behalve dan dat ik wèl zie hoe wetenschap afbreuk kan doen. Maar wetenschap hoeft geen afbreuk te doen aan de levendigheid van ervaring, en kan daar zelfs aan toevoegen!

 

Wat dat betreft heb ik wel een tak van wetenschap gekozen die zich niet direct richt op de meest aangename kanten van het leven. Maar die wel kan helpen om leven en gezondheid te beschermen, en die ik bovendien enorm interessant vind!

Zo ben ik terug op mijn “oude” weg, de wetenschap, na het maken van duistere en vernietigende, maar later ook weer leven brengende omwegen. Ik ben niet gestorven, maar er niet zo zeker van dat ik sterker geworden ben. Wel heb ik veel geleerd, en mijn weg vervolgend zal ik nog heel veel nieuwe dingen kunnen gaan leren, die ik voorheen nog niet geleerd heb…

Vakantie als finale van de “altijd vakantie”!

Altijd vakantie”, NO WAY!!!

Relatief kort nadat ik ontslag had genomen van mijn laatste verblijf in een psychiatrische instelling, en ik net genoeg moed bij elkaar had weten te schrapen om een sportschool te bezoeken, liet iemand zich daar een opmerking ontvallen met: “…. Bianca, die heeft altijd vakantie”. Waarschijnlijk niet meer dan een wat onhandig eruit geflapte, lollig bedoelde opmerking, die ik hem verder niet persoonlijk kwalijk neem. Maar echt. “Altijd vakantie”?!? Niets was minder waar, al hoefde ik inderdaad nooit te werken. Maar het voelde veel meer als een straf, door uitsluiting als zelfs nog pijnlijker alternatief voor opsluiting, dan als vakantie!

Op vakantie gaan was zelfs helemaal geen optie. Mijn gang naar de sportschool was al een groteske overschrijding van de grenzen van waar mijn angst nog beheersbaar bleef. Ik deed dus al wat ik kon en schoot toch nog schromelijk tekort in mijn pogingen om aan de saaiheid van mijn al te beperkte bestaan te ontsnappen.

Door het niet hoeven werken, en de door iedereen in mijn omgeving drastisch naar beneden bijgestelde verwachtingen, waren zo goed als alle verplichtingen waar een mens maar enigszins onderuit kan, weliswaar weggenomen. Maar de enige verplichting waar geen ontsnapping van mogelijk is, bleef ik pijnlijk voelen in ieder spoortje bewustzijn: De verplichting om te leven, zo lang ik niet sterf.

Die “vakantie” is het, die nu eindelijk echt ten einde loopt. Langzaam heb ik geleerd mijn verplichting om te leven, weer steeds beter aan te kunnen. Niet dat ik me nu onkwetsbaar voel, maar het lukt tenminste weer om met mijn kwetsbaarheid te leven. Daarbij helpt mij ook om bewust te blijven dat ieder mens kwetsbaar is, en niet alleen maar ik, of mensen die ziek zijn en/ of als “ziek” bestempeld (geweest) zijn.

1340

Eindelijk geen “vakantie” meer!

Zo ga ik aankomende september te beginnen aan een fulltime Masterprogramma, met de serieuze bedoeling om dit af te maken en via die weg te ontkomen aan de veroordeling tot arbeidsongeschiktheid. Ondanks een aantal gesprekken die ik gevoerd heb ter oriëntatie daarop, die behoorlijk ontmoedigend waren. Ondanks dat het aanmelden voor een Master ook al een soort sollicitatie bevat, en ik een motivatiebrief en een acceptabel ogend CV in elkaar heb moeten wrochten. Gelukkig waren er ook mensen die mij steunden hierin. Bovendien sta ik nu zelf ook zodanig achter deze keuze, dat ik mij niet bij ieder beetje tegenspraak laat terug jagen. En ik ben aangenomen voor de Master die ik het liefste wilde doen!

Aangezien de programmacoördinator alle studenten alvast een fikse portie studiemateriaal aanbeveelt, die je geacht wordt te beheersen bij de start van het programma, heb ik daar nu al aardig wat werk aan. Zowel het alweer een aantal jaren eruit geweest zijn, als het nooit werkelijk aangeleerd hebben van studievaardigheden, is nu wel voelbaar. Maar ik merk ook dat ik, hoewel ik er af en toe nog wel wat over in de stress schiet, wel het overzicht behoud, durf te proberen, en zowel inhoudelijk als qua studie-aanpak nu al veel aan het leren ben, wat erg leuk en interessant is!

1330

Een ECHTE vakantie!

Intussen ben ik nog wel op VAKANTIE geweest! En niet zomaar een voorzichtige vakantie, nee op een groepsreis voor singles, met mensen die ik nooit eerder gezien had, veertien dagen naar Noord-Italië, en voor het eerst kamperen ook.

Deze dagen waren goed gevuld met leuke en spannende activiteiten, en er was geen ontkomen aan sociale situaties. Soms nog erg beangstigend, confronterend en triggerend. Gelukkig was de reisleider ook echt een goed aanspreekpunt voor zulke dingen, zelfs al was hij tien jaar jonger dan ik en niet “ervaringsdeskundig”. Bovendien bestond de groep uit leuke mensen die gemakkelijk in de omgang waren, en met wie best te praten viel, zelfs over moeilijke onderwerpen.

Zo kwam het dus toch goed met die vakantie. Ik heb enorm genoten van de omgeving, de activiteiten, en van de sociale situaties waarin ik NIET teveel door angsten, frustraties en beladen herinneringen belaagd werd. Leren kamperen, nieuwe spelletjes geleerd, heerlijk in de bergen wandelen, inspannend en ontspannend tegelijk, met geweldige uitzichten. Voor de eerste keer raften, windsurfen en klettersteigen (“Via Ferrata”).

Onderdompeling in spanning en vrijheid!

Het allerbeste hoogtepunt vond ik het canyoning. Weliswaar was ik opnieuw erg nerveus aan het begin van die activiteit, en daarbij was het eerste wat we moesten doen, ons direct aan een touw van een hoge brug af laten zakken. Volledig vertrouwen op een stel onbekenden en hun touwen.

Dat moest daarna nog een aantal keren, want we liepen en klauterden niet alleen door een canyon, we lieten ons ook van watervallen zakken of het waterglijbanen waren. De eerste keren aan een touw, maar daarna ook los! Handen voor de borst en gaan! Het was geweldig: Het koude water was prikkelend, watervallen bleken de ultieme waterglijbaan. De rotsen mooi rond uitgesleten door het water, en dan samen met het water te vallen midden in de prachtige natuur. De plons die je maakte onderaan de waterval, kopje onder in het heldere maar onrustige water, en het wegzwemmen in de stroming onder de waterval-douche door.

Als finale van deze prachtige ervaring een Sprong in het Diepe: Van acht meter hoogte in het witte schuim onderaan een waterval springen vanaf een platform in de rotsen. Een van mijn reisgenoten deed dit met een supercoole, relaxed ogende salto achterwaarts. Ik zelf bleef echter, ondanks vastbesloten te zijn om te gaan springen, nerveus naar beneden staan kijken, tot 3x toe niet in staat mezelf te dwingen tot de sprong. Terwijl ik zo graag wilde, en het me ook echt leuk leek…

1302

De gids, een stoere man, liet me dan ook niet terug gaan. Echt niet. Ook hij wist, dat ik wilde springen. Mijn reisgenoten begonnen mij met luid roepen aan te moedigen. Nog keek ik in het schuim, nog twijfelde ik of ik, met door angst beïnvloedde motoriek, die sprong nu echt wel veilig kon maken. Bovendien vertelden mijn zintuigen mij simpelweg dat het er niet als goed idee uitzag. Vooral niet als een veilig idee; een goed idee toch wel degelijk! Ik verlangde naar de sensatie, voelde me mentaal daarin opgetild door het geroep van mijn groepsgenoten, en nam eindelijk de sprong!

De sprong ging helemaal goed en voelde fantastisch. Ik voelde me een totaal ander persoon dan degene die in de angst blijft hangen. Voelde tegelijk ook dat ik dezelfde persoon was, maar dan van de betere kant. Ik ben mijn lichte en mijn donkere kant, zowel nerveus als ook moedig, ja in vele opzichten bijna in strijd met de logica, kan ik zelfs iets zowel wel als ook niet zijn…

Deze tegenstrijdigheid vormt mijn ontwikkelingspotentiaal, en daarmee ga ik aan het werk. Stel mijn redelijk vermogen aan in dienst van mijn emoties, en eveneens andersom. Opdat beide productief mogen worden, èn plezier kunnen maken, èn de veiligheid bewaken. Als het aan mij ligt ga ik nog vaak op vakantie, maar nooit meer “altijd vakantie”!

1368

Is het stigma, of is het wetenschap?

Op het eerste zicht lijken wetenschap en stigma zeer ver uit elkaar te liggen. Wetenschap baseert zich op feiten en logica, en velt principieel geen oordelen die zich daar niet rationeel uit laten rechtvaardigen. Terwijl een stigma precies een onrechtvaardig oordeel is, gebaseerd op beperkte kennis en geveld door negatieve emoties, eventueel geholpen door het rationaliseren van de beperkte kennis.

Desondanks zie ik wetenschap en stigma soms bedrieglijk dicht bij elkaar komen. Bijvoorbeeld bij het idee dat bij psychische aandoeningen sprake is van een in biologische aanleg aanwezig gebrek dat de emotionele stabiliteit ondermijnt. Daardoor zou ook als er geen sprake meer is van ziekte, toch een verhoogd risico blijven bestaan dat iemand weer ziek wordt. Er lijkt op zich redelijk geloofwaardige wetenschappelijke basis te bestaan voor dit idee, voor zover ik dat kan weten zonder er zelf wetenschappelijke expertise in te hebben.

Vanuit dit idee over verhoogde risico’s blijkt het nogal voor de hand te liggen om iemand te ontmoedigen die bijvoorbeeld na een psychische crisis nog een uitdagende studie wil gaan doen, of om zo iemand in ieder geval niet in een verantwoordelijke positie te willen, en hem of haar eigenlijk (onbedoeld) een volwaardig leven zo ongeveer onmogelijk te doen toeschijnen, aangezien alles wat hij/zij wil, opeens te hoog gegrepen zou zijn…En dat ervaar ik overduidelijk als stigma.

Desondanks zou het kunnen dat er inderdaad sprake zou zijn van een hoog risico, en dat daaraan gekoppelde oordelen niet onrechtvaardig zouden zijn.

Wat de wetenschap ons (niet) kan vertellen over de risico’s voor het individu.

De wetenschap kan bijvoorbeeld zeggen, dat mensen die ooit een depressie gehad hebben, een grotere kans hebben op een volgende depressie. Door een groot aantal mensen in de gaten te houden en zorgvuldig volgens wetenschappelijke methodieken incidenties te turven, kan men inderdaad een dergelijke uitspraak wetenschappelijk funderen.

Deze bevindingen gelden echter voor groepen mensen, waarbinnen vaak een aanzienlijke variatie bestaat. Het is dus niet wetenschappelijk verantwoord om deze bevindingen zomaar terug te projecteren op een individu.

Bovendien zijn dergelijke incidentiecijfers lang niet voldoende om uitspraken te kunnen doen over de oorzaken. En zonder kennis van de oorzaak, wordt het nog moeilijker en onwetenschappelijker om nog iets zinnigs te zeggen over de risico’s voor een individu.

Naast het idee van de onderliggende biologische gevoeligheid voor depressies, liggen wat mij betreft nog heel andere oorzaken voor de hand. Waarvan ik niet uit wetenschap weet, maar uit eigen ervaring en contact met andere mensen met ervaring.

Ten eerste: Behandeling van een depressie bestaat al te vaak alleen uit psychologisch een beetje pappen en nathouden in combinatie met nadruk op medicamenteuze behandeling. Dit terwijl er (volgens mij) onderliggend vaak veel meer dan een biologische kwestie, een existentiële kwestie speelt. De persoon met een depressie weet zich niet goed te verhouden tot het eigen leven, is op een verkeerd spoor geraakt, en heeft nieuwe vaardigheden, andere ervaringen, een nieuw perspectief nodig. Soms wordt daar wel aan gewerkt tijdens de depressie en het herstel daarvan, maar soms ook niet. De mensen bij wie het niet gebeurt of bij wie pogingen daartoe niet slagen, zijn na hun eerste depressie eigenlijk niet genezen, maar alleen weer even een beetje opgelapt. Zij krijgen zo goed als zeker een volgende depressie, maar dat is gewoon dezelfde depressie! Echter in de cijfers tikt het lekker aan op deze manier.

Ten tweede: Het algehele ontmoedigingsbeleid, gebaseerd op het “wetenschappelijk gefundeerde” idee van een onderliggende biologische kwetsbaarheid, die een verhoogd risico zou blijven vormen. Dit heeft het in zich om een self-fulfilling prophecy te worden. Mensen, óók gezonde en zelfstandige mensen, zijn gevoelig voor elkaars oordeel, en ik betwijfel of de psychische gezondheid van de meeste “gezonde” mensen zou standhouden als zij geconfronteerd zouden worden met de oordelen die iemand over zich heen krijgt als eenmaal bekend is dat er sprake zou zijn van een psychische stoornis. Ik heb dus een sterk vermoeden dat stigmatisering een vrij grote bijdrage levert aan de ongunstige cijfers die de wetenschap kan vaststellen voor mensen die ernstige psychische problemen gehad hebben.

Daarbij is het niet eens zo eenduidig dat biologische of zelfs genetische gegevens altijd tot onveranderlijke eigenschappen zouden leiden.

Vanuit de wetenschap zijn er de afgelopen tijd steeds meer aanwijzingen gekomen dat de hersenen toch meer aanpassings- en veranderingscapaciteit hebben dan ik nog geleerd heb in de biologieles.

In ieder geval is mijn eigen emotionele stabiliteit geen absoluut onveranderlijk gegeven, aangezien deze nog dramatisch veel slechter geworden is in de periode dat ik behandeld werd voor een onjuiste diagnose, terwijl er daarna juist duidelijke verbeteringen in gekomen zijn. Weliswaar is deze dynamiek moeilijk te onderscheiden van symptomen van de “ziekte” zelf die nu minder worden door “genezing”.

Wat dat betreft is het begrip van wat “ziekte” is, en wat de “symptomen” daarvan zijn en wat bij de “oorzaak” hoort, sowieso nog rampzalig slecht te onderscheiden in de psychiatrie met dank aan het DSM-systeem.

Ook dit bemoeilijkt het gebruik van “wetenschappelijke” bevindingen nogal. Zo worden er “ziektes” onderzocht waarvan feitelijk niet eens zeker is of ze wel bestaan als zodanig. Het valt dan al niet mee om duidelijke resultaten te krijgen, maar soms worden er toch afwijkingen aan de hersenen opgemerkt bij onderzoek aan mensen met een psychiatrische diagnose. Zo lang deze afwijking echter niet consistent en specifiek aanwezig is bij alle personen met een bepaalde diagnose, is het onwetenschappelijk om te beweren dat als iemand symptomen vertoont waarmee de diagnose via de DSM binnengeharkt kan worden, die persoon dan dus ook de afwijking in de hersenen zou hebben die men bij onderzoeken naar die diagnose wel eens gezien heeft. Toch wordt dit vaak moeiteloos en met groot gezag zo gesteld.

Ervaringskennis heeft ook iets toe te voegen.

Los van statistiek en speculaties over hersenplaatjes is het voor mij persoonlijk duidelijk genoeg dat er veel verandering mogelijk is in mijn gedrag en psychische toestand, al zie ik ook al te goed dat ik in sommige opzichten steeds maar niet schijn te kunnen veranderen. Dit is iets dat ik over het algemeen bij andere mensen ook terugzie. Soms valt daarbij op dat vanuit het ene perspectief alleen maar ellende, en vanuit een ander perspectief spectaculaire verbetering te zien is.

Eigenlijk bestaat er geen goed recept om menselijke ontwikkeling te voorspellen of zelfs in een met zekerheid gunstige richting te sturen, en dit maakt leven en ontwikkeling van mensen erg spannend. Maar door verbeterde zelfkennis en levensvaardigheden kan iemand de eigen psychische gezondheid wel degelijk relatief veilig leren stellen ondanks oorspronkelijk aanwezige riskante (biologische) eigenschappen. Mogelijk heeft zo iemand in vergelijking met een ander, die van nature een gunstiger biologisch profiel voor psychische gezondheid had, en nooit aan zichzelf heeft hoeven werken, zelfs een lager risico en vooral ook meer inzicht en mogelijkheden!