Openheid over psychische aandoeningen: Geweldig, maar lees wel de bijsluiter.

Enige tijd geleden stelde een van de supporters van Samen Sterk zonder Stigma (SSzS) iets in de aard van bovenstaande slagzin voor. Heel veel bijval leek deze niet te vinden, maar ikzelf was het er roerend mee eens. In ieder geval beter dan “Pas op, openheid leidt tot begrip”. Hoewel ikzelf ook supporter ben van SSzS, en dus zeker sympathie heb voor deze club, zijn mijn ervaringen met openheid over psychische problemen gemiddeld genomen helemaal niet zo positief geweest en leidden al te vaak tot het tegendeel van begrip. Ik ergerde me dus aan de slagzin “Pas op, openheid leidt tot begrip”, die een beetje de draak leek te steken met angst voor openheid, terwijl deze angst volgens mij vaak gerechtvaardigd is.

Toch zag ik ook wel dat SSzS het echt niet zo irritant bedoelde en er op hun eigen manier ook zeker veel mee bereikt. Ik heb me daarom wel afgevraagd waarom het devies voor mij zelf dan zo onpassend en contraproductief leek. Wat er dus mogelijk in een “bijsluiter” zou moeten staan aan contra-indicaties en dergelijke. Natuurlijk is openheid over psychische aandoeningen sowieso geen kant en klaar nauwkeurig samengesteld farmaceutisch preparaat, maar je moet het zelf mengen, daar begint het al mee.

Daarbij is het in werkelijk gevoelige situaties vaak niet eens een keuze of je er open over bent of niet. Als het echt slecht met je gaat, kan het soms zo overduidelijk zijn dat er iets aan de hand is op psychisch gebied, dat je alleen nog kunt proberen te beïnvloeden WAT mensen denken dat het is, maar het helemaal verbergen is simpelweg niet mogelijk. Of dat al niet vervelend genoeg is, kan het in deze situatie ook vrij gemakkelijk gebeuren dat mensen alles wat je zegt gaan herinterpreteren volgens hun eigen opvattingen, omdat ze ervan uitgaan dat je het zelf door je psychische aandoening wel niet helemaal juist zult hebben. Je bent bijvoorbeeld emotioneel te sterk verstoord om nog rationeel te kunnen zijn, en hebt daarbij mogelijk ook nog een gebrek aan zelfinzicht en/ of bent in ontkenning, zo redeneren ze. Probeer in die situatie nog maar eens begrip te laten ontstaan uit je openheid. Hard wegrennen lijkt me dan eerlijk gezegd nog steeds een veel vruchtbaarder optie, vooropgezet dat je daarmee ook werkelijk kan ontsnappen. Begrip zoeken valt dan tenminste nog ergens anders te proberen.

Op de website van SSzS staan op zich best goede tips hoe je het moet aanpakken met die openheid. Daar blijkt ook al uit dat het niets iets is wat je er zomaar even uitflapt, of waar een vaste gouden standaard voor bestaat. Maar het is heel frustrerend als je iets tegen stigma wilt doen en nog niet klaar bent voor delicate communicatie over een van de meest precaire zaken die je maar bespreekbaar kunt maken, terwijl het dan toch lijkt of “openheid” het enige is dat je kunt doen. En dat het eigenlijk tot begrip zou moeten leiden.

Ik denk eigenlijk dat de mogelijkheid om op een vruchtbare manier “open” te zijn over problemen, en daarmee aan stigmabestrijding te kunnen doen, wel eens nauw zou kunnen samenhangen met de “fases van herstel”. De “openheid” zoals bedoeld door SSzS is dus in mijn beleving in ieder geval ongeschikt voor mensen die nog in de fase van “beheerst worden door de stoornis” zitten, en ook nog problematisch in de fase van “strijd tegen de stoornis” . Dit is extra hinderlijk omdat dit wel precies de fases zijn waarin je ook het meeste onder stigma te lijden kan hebben, althans zo was dat voor mij zelf wel. De reden dat mijn communicatie over de stoornis in deze fases contraproductief was, ligt erin dat het héél zwaar emotioneel beladen was allemaal, en dat ik zelf eigenlijk ook niet precies wist wat ik had laat staan wat verstandig was om erover te vertellen. Ik vertelde dus meestal wat het meest emotioneel beladen was, want dat lag vooraan in mijn geest en moest eruit, en dat was deels zo intens verschrikkelijk dat het uitstekend geschikt was om andere mensen bang te maken en op zijn minst te doen denken dat ik toch wel een heel betreurenswaardig geval was.

In de fases “leven met de stoornis”, en beter nog, “leven waarin de stoornis een ondergeschikte rol speelt” lijken de aanbevelingen over openheid van SSzS mij beter deugdelijk toepasbaar. Desondanks merk ik dat ik zelf naarmate ik verder ben in mijn herstel, juist minder gretig ben om aan “openheid” te doen. In feite ben ik nu nog aan het herstellen van mijn ervaringen met “openheid” toen ik er nog niet klaar voor was om het te kunnen, maar desondanks geen keuze had. Het is juist heel fijn om er eindelijk ook steeds vaker voor te kunnen kiezen om niets te laten merken en er niets over te zeggen, en alleen af en toe iets van mijn angsten en onzekerheden te delen waar dit nog te begrijpen is vanuit de “normale”/ “gezonde” menselijke ervaring die mensen zonder psychische aandoening ook wel kennen. En waar ze dus ook begrip voor hebben!

Wel zou ik het mooi vinden als het er nog eens van komt dat ook ik leer wat de meest effectieve dingen zijn die ik zonder mezelf sterk te benadelen en/of mezelf weer in de angst te verstrikken, kan vertellen over mijn “psychische aandoening”. Lastig is daarbij wel dat die angst ook besloten ligt in de aard van mijn “aandoening” zelf. Bovendien is het zelfs als zuiver rationele opgave, nog los van de emotionele lading, best een moeilijk probleem om zulke zaken wel helder te benoemen maar er geen stigmatiserende scheiding mee te trekken tussen mensen met en zonder “stoornis”.

Ook zou ik nog wensen dat er wèl hanteerbare mogelijkheden aangereikt zouden kunnen worden voor stigmabestrijding door mensen die juist nog in de zwaarste fases verkeren, en het het hardste nodig hebben. Waarschijnlijk zal het dan vooral gaan om het bestrijden van hun zelfstigma. Althans ik heb nu de indruk dat het eigenlijk wel nodig is om zelfstigma enigszins onder controle te hebben voordat je effectief de strijd aankunt met het publieke stigma. Echter dat lijkt ook een beetje te zeggen dat je eerst maar eens aan jezelf moet werken, een beeld dat op zichzelf alweer het zelfstigma kan versterken, en de wens om juist naar buiten toe iets van verandering te brengen nog altijd frustreert. Het aanpakken van zelfstigma als enige optie is dus ook niet bevredigend.

Stigmabestrijding en de juiste vorm en mate van openheid over psychische aandoeningen is zeker niet eenvoudig. Openheid kan vast een geweldig medicijn zijn tegen stigma, maar het is niet altijd en voor iedereen effectief en kan ook tot ongewenste effecten leiden.  Lees dus wel de bijsluiter! Of eigenlijk: probeer maar eens om eerst je eigen bijsluiter te schrijven, want die wordt er niet standaard bij geleverd, zo min als een ander het preparaat voor je kan mengen.

Advertenties

Gevaarlijke overbruggingen in en uit de GGZ.

Bruggen zijn eigenlijk bedoeld om veilig over te steken. Om een brug werkelijk op die manier te gebruiken, is toch een zekere stabiliteit vereist en de intentie om inderdaad veilig over te steken. Iemand in grote psychische nood kan heel anders naar een brug kijken. Bovendien is sowieso niet iedere brug even veilig.

In dit artikel komen drie gevaarlijke bruggen voor de persoon in psychische nood ter sprake: De brug naar de goede behandelaar, die vaak gevaarlijk en gammel is maar waarbij de overkant bereiken wel je redding kan betekenen, de brug waar je misschien van af zou willen springen, en de brug van een beperkt leven in de GGZ naar een vrij leven in de maatschappij (ahum, voor zover dat laatste geen contradictie is).

De brug naar de goede behandelaar kan vereisen dat je gaat “shoppen” terwijl de slechte behandelaar je dit afraadt, en lijkt sowieso vaak geduld en stabiliteit te vereisen op momenten dat je dit absoluut niet hebt. Vooral bureaucratische processen waar alle betrokkenen zodanig in verstrikt raken dat het onmogelijk gemaakt wordt om snel genoeg met de behandeling te beginnen zijn hier erg sterk in. Ook het moeten afwerken van een schijnbaar eindeloze reeks slechte behandelaars voor je ooit een goede tegenkomt kan een zeer riskante beproeving zijn. Beide situaties heb ikzelf ervaren en deze waren zeer gevaarlijk, want zij drongen mij met grote kracht naar de “brug te ver” die hierop volgt:

De brug waar je af wilt springen, omdat het lijden ondraaglijk en uitzichtloos lijkt. Dit is de allergevaarlijkste brug in dit verhaal, de brug die rechtstreeks naar de dood zou kunnen leiden, terwijl dat diep van binnen niet is wat je werkelijk wilde. Tenminste, als ik voor mezelf spreek, was het juist mijn wil tot leven die mij ingaf dat ik er een einde aan moest maken. Want als ik zó graag wilde leven, maar het bleek steeds zo pijnlijk onmogelijk, beschamend en kansloos, wat bleef er dan nog over dan te zorgen dat ik mijn eigen mislukking in dat wat ik met heel mijn wezen wilde, niet meer kon kennen door er zelf niet meer te zijn?

In een tijd dat ik al wel aan de beterende hand was, maar al te lang in onzekerheid en vertwijfeling moest wachten op bureaucratische afhandelingen kwam het plan met de brug. Vergeleken met de acties in mijn slechtste periode was dit een redelijk verstandig plan, waarmee ik impulsieve pogingen op een afstand hield. De beoogde brug bevond zich namelijk ergens in Oost-Duitsland, en om deze plek ook echt te bereiken voor het verrichten van mijn daad zou ik behoorlijk zeker moeten zijn. Ik stelde me voor dat als ik onderweg zou gaan twijfelen, ik waarschijnlijk als “verward persoon” opgepakt zou worden in Duitsland en daar in een inrichting gestopt. Dat wilde ik in ieder geval niet.

Op een gegeven moment heb ik dan maar contact opgenomen met 113, zowel via internet (113online) als ook een keer via de telefoon. Gelukkig was de persoon aan de telefoon in staat om een gesprek met mij te voeren dat het niet alleen maar erger maakte, maar juist een beetje beter. Zij vroeg mij wat ik zou willen als ik nergens rekening mee hoefde te houden. Ik had haar al verteld over mijn plan met de brug, en ik zei: “Ik zou van die brug af willen springen, maar dan niet doodgaan”. Ik dacht aan de bossen en bergen in het uitzicht en de duizelingwekkende diepte en de hoge snelheid die de ultieme angst en het ultieme genot tot één geheel maken in een stortvloed van intense indrukken. En ik wist: Ik wil niet dood. Ik wil juist ten volle leven!

Intussen ben ik overigens nog steeds te vreesachtig geweest om werkelijk toe te komen aan zowel een dergelijke sprong als “ten volle leven”. Maar sommige dingen die ik doe komen er wel wat in de buurt, en goed genoeg om niet meer te geloven dat de dood een verbetering zou zijn ten opzichte van mijn leven.

De brug van GGZ naar een vrij leven in de maatschappij ofwel volledig “herstel” inclusief maatschappelijk herstel is de brug waar ik me nu op bevind. Hoewel dit nu wel veiliger voelt dan de uiterst bedenkelijke gammele brug naar de goede behandelaar die ik ter nauwer nood overleefd heb, voelt het gevaar nog vaak erg nabij.

Wat vooral opvalt is dat er eigenlijk helemaal geen sprake is van een brug. Of een herkenbare overkant. Alsof je aan een moeras met drijfzand ontkomen bent en dan een rivier moet doorwaden in de mist.

Toch is het ook regelmatig of ik me al wel degelijk op een hoogte bevind waar ik van af zou kunnen vallen. En alsof er een weg terug is waar ik heen gejaagd zou kunnen worden als iemand besluit om mensen niet over de brug te laten. Alsof er toch een banvloek op zou kunnen rusten, waardoor mijn terugkeer in het land der levenden om allerlei onverwachte redenen toch geweigerd zou kunnen worden…Bijvoorbeeld als ik omkijk, en ik kan het omkijken steeds niet laten…

Laat ik maar hopen wat ik ook wel weet, namelijk dat niet al mijn angstfantasieën zichzelf waar hoeven te maken. Toch geloof ik dat omkijken werkelijk gevaarlijk kan zijn, en ik mij zelf al bloggend in gevaar breng. Openheid over psychische problemen hoeft geen probleem te zijn voor iemand die al goed en stabiel functioneert in geaccepteerde maatschappelijke rollen, heeft getoond daarin competent te zijn en dan nog eens toegeeft zich toch wel eens psychisch ziek te voelen. Maar iemand wiens laatste herkenbare maatschappelijke rol “psychiatrisch patiënt” was, die moet eerst nog maar eens bewijzen desondanks competent te zijn, terwijl er al bergen “bewijs” ligt voor het tegendeel.

Toch zijn er gelukkig ook mensen die dit anders zien, en zij kunnen helpen met het oversteken van deze laatste brug waar eigenlijk geen brug is. Dan kan deze gevaarlijke oversteek uiteindelijk zonder herkenbare overgang doorlopen tot de enige echte gevaarlijke brug in een eeuwigheid van niet-leven, waar al het andere dat je deed zich ook al op bevond. Dan besef je opeens dat je hetzelfde grote gevaar deelt met iedereen die nooit in de GGZ is geweest.

Abnormaliteit en lijdensdruk: Waar begint de ziekte?

Een van mijn allereerste blogs, dat ik schreef op de site van Orange Monday nog voor ik dit eigen blog begon, was: “Niet normaal volgens de normale verdeling”. In dit blog verdedigde ik dat niet iedere vorm van afwijken van het gemiddelde in de psychiatrie tot ziekte gebombardeerd zou mogen worden, terwijl dit veel te vaak wel gebeurt. Het thema sloot wonderwel aan op een artikel dat psychiater Menno Oosterhoff kort tevoren in de krant geschreven had.

Even wonderwel kreeg ik zelfs reacties van Menno Oosterhoff op dat blog. Ik gloeide van opwinding. Maar ik werd er toch ook wel erg nerveus van: Wat zou ik dan weer op die reacties reageren? Waarbij vooral duidelijk moest blijven dat ik prima bij mijn verstand was. Ik ging het opnemen voor de hele groep mensen die tot patiënt bestempeld zijn en daarmee niet meer voor vol aangezien worden: Psychische problemen hebben betekent niet dat je achterlijk bent of een tekort aan zelfreflectie hebt.

Maar wat heb ik daar willen verdedigen? Dat ik niet ziek ben? Weet ik dat zelf eigenlijk wel zo zeker, of is het vooral een geraffineerd verpakte maar in de aard uiterst absurde ontkenning? Met als hoofdargument dat ik “alleen maar statistisch abnormaal ben in zenuwachtigheid”? Het zal wel uit medelijden geweest zijn, dat Oosterhoff dat niet direct afgebrand heeft?

Het was zeker prettig destijds om er met mijn toenmalige eigen psychiater zo vrij over te filosoferen, en ik geloof nog steeds dat hij in belangrijke opzichten gelijk had. Maar voor wie echt lekker stabiel in het huidig psychiatrisch paradigma zit, zal het wel het grootste onzinargument ooit zijn.“Zenuwachtigheid” is immers een symptoom, een storende psychische klacht op zichzelf, en zeker als het in abnormaal hoge mate aanwezig is. Weliswaar is niet direct duidelijk van welke ziekte het een symptoom is, maar daar kunnen ze snel genoeg achter zijn door nog wat door te vragen.

Wat dat betreft denk ik ook dat ik het er bij nader inzien niet bij moet laten zitten dat ik “nu eenmaal extreem zenuwachtig ben”: Hoewel ik veel temperament- en andere eigenschappen heb die zenuwachtigheid kunnen faciliteren, lijkt het mij niet waar dat ik als een gefixeerd statistisch gegeven altijd aan de extreem hoge kant daarvan moet zitten.  Daarin was het plaatje dat mijn psychiater me voorspiegelde dus toch weer niet zó helpend, want het gaf mij de neiging me achter mijn “zenuwachtigheid” te verstoppen zoals ik veel mensen zich ook achter een eenmaal gestelde DSM-diagnose zie verstoppen.

Mijn anders-zijn geformuleerd als statistische afwijking in zenuwachtigheid valt binnen het psychiatrisch paradigma dus wel degelijk te herleiden tot een psychiatrische ziekte. Het is in de medische wetenschap zeker geen uitzondering als een “statistische afwijking” direct of indirect naar een echte ziekte verwijst. Zelfs bij het voorbeeld van lengte dat mijn psychiater destijds gebruikte, dat mij in eerste instantie een vrij neutraal voorbeeld leek, kan vanuit een medisch perspectief anders gekeken en geoordeeld worden: Extreem korte en extreem lange mensen hebben een “groeistoornis”…

Zo begon ik mij langzaam aan af te vragen of het dan soms toch waar is, dat alles wat extreem ver van het gemiddelde afwijkt een ziekelijke afwijking moet zijn. In de meeste gevallen van afwijkingen die wel functioneel zijn, zoals lang zijn voor een basketballer, gaat het toch om afwijkingen van het gemiddelde die niet tè extreem zijn. Afwijkingen waardoor iemand iets extreem goed kan, zullen minder snel onder het ziekte-begrip vallen: Extreem hard kunnen sprinten, extreem intelligent zijn. Tenzij de daarvoor benodigde eigenschappen ook nadelen zouden hebben die zo groot zijn of zodanig van aard, dat het voordeel het niet kan compenseren…

Hoe dan ook is het zeker niet voor niets geweest dat ik überhaupt de psychiatrie opgezocht heb. Ik heb echt wel ergens last van, en ik wilde er heel graag mee geholpen worden! Er valt ook echt te vrezen dat ik geen volwaardig leven kan hebben met deze problemen!

Nu ik eenmaal geleerd heb om mijn moeilijke ervaringen en afwijkende gedragswijzen als symptoom te herkennen, kan ik er niet echt meer omheen dat ik inderdaad “ziek” moet zijn (binnen het huidig psychiatrisch paradigma.)

Desondanks heeft het mij niet echt geholpen om het als ziekte te beschouwen en te laten behandelen. Om te beginnen werkt de interpretatie van mezelf als gestoord en ziek persoon zeer schadelijk in op mijn zelfvertrouwen en stemming. Het Nocebo effect van het hebben van een diagnose!

Een behandeling moest dus wel extreem effectief zijn, om dat nog te kunnen compenseren. In werkelijkheid was de effectiviteit van geboden behandelingen over het algemeen matig tot nihil.

Voor zover hulpverlening mij iets van hulp heeft kunnen bieden, had dit strikt genomen weinig met het behandelen van ziekte per se te maken. Het ging vooral om contact maken, en om helpen herstellen van enig vertrouwen in mezelf en de medemens.

Al zijn dit vaker belangrijke thema’s bij het behandelen van persoonlijkheidsstoornissen en andere psychische “ziektes”, lijkt het me hier toch te gaan om tamelijk universele menselijke behoeftes. Ook al die mensen die (nog) niet formeel “ziek” zijn maar toch, ieder op zijn eigen manier en intensiteit, worstelen met zichzelf en hun omgeving, kennen deze behoefte.

Het verschil is vaak dat zij in hun eigen omgeving daarvoor voldoende sociale steun hebben, om het vol te houden en niet “ziek” te worden, zodat zij niet genoodzaakt zijn hiervoor professionele hulpverlening te zoeken. Bij de meeste mensen heb ik niet zo zeer de indruk dat zij werkelijk zoveel betere en flexibelere coping vaardigheden zouden hebben dan iemand met een persoonlijkheidsstoornis. “Beter” wel in de zin van: Het werkt. Het is voldoende, het is goed aangepast aan hun omstandigheden; Ze kunnen er bevredigend mee leven, vooral zo lang het lukt om ongeveer dezelfde omstandigheden te handhaven of om vloeiend mee te stromen met de “kudde” als er veranderingen zijn.

Veel meer is het niet voor de grote, niet-zieke middenmoot. Ook veel van hen ervaren een zekere lijdensdruk onder de verplichting om normaal te zijn en te blijven. Ze weten dat als ze niet “gek” of “ziek” willen worden, ze dus “normaal” zullen moeten blijven doen…

Is het stigma, of is het wetenschap?

Op het eerste zicht lijken wetenschap en stigma zeer ver uit elkaar te liggen. Wetenschap baseert zich op feiten en logica, en velt principieel geen oordelen die zich daar niet rationeel uit laten rechtvaardigen. Terwijl een stigma precies een onrechtvaardig oordeel is, gebaseerd op beperkte kennis en geveld door negatieve emoties, eventueel geholpen door het rationaliseren van de beperkte kennis.

Desondanks zie ik wetenschap en stigma soms bedrieglijk dicht bij elkaar komen. Bijvoorbeeld bij het idee dat bij psychische aandoeningen sprake is van een in biologische aanleg aanwezig gebrek dat de emotionele stabiliteit ondermijnt. Daardoor zou ook als er geen sprake meer is van ziekte, toch een verhoogd risico blijven bestaan dat iemand weer ziek wordt. Er lijkt op zich redelijk geloofwaardige wetenschappelijke basis te bestaan voor dit idee, voor zover ik dat kan weten zonder er zelf wetenschappelijke expertise in te hebben.

Vanuit dit idee over verhoogde risico’s blijkt het nogal voor de hand te liggen om iemand te ontmoedigen die bijvoorbeeld na een psychische crisis nog een uitdagende studie wil gaan doen, of om zo iemand in ieder geval niet in een verantwoordelijke positie te willen, en hem of haar eigenlijk (onbedoeld) een volwaardig leven zo ongeveer onmogelijk te doen toeschijnen, aangezien alles wat hij/zij wil, opeens te hoog gegrepen zou zijn…En dat ervaar ik overduidelijk als stigma.

Desondanks zou het kunnen dat er inderdaad sprake zou zijn van een hoog risico, en dat daaraan gekoppelde oordelen niet onrechtvaardig zouden zijn.

Wat de wetenschap ons (niet) kan vertellen over de risico’s voor het individu.

De wetenschap kan bijvoorbeeld zeggen, dat mensen die ooit een depressie gehad hebben, een grotere kans hebben op een volgende depressie. Door een groot aantal mensen in de gaten te houden en zorgvuldig volgens wetenschappelijke methodieken incidenties te turven, kan men inderdaad een dergelijke uitspraak wetenschappelijk funderen.

Deze bevindingen gelden echter voor groepen mensen, waarbinnen vaak een aanzienlijke variatie bestaat. Het is dus niet wetenschappelijk verantwoord om deze bevindingen zomaar terug te projecteren op een individu.

Bovendien zijn dergelijke incidentiecijfers lang niet voldoende om uitspraken te kunnen doen over de oorzaken. En zonder kennis van de oorzaak, wordt het nog moeilijker en onwetenschappelijker om nog iets zinnigs te zeggen over de risico’s voor een individu.

Naast het idee van de onderliggende biologische gevoeligheid voor depressies, liggen wat mij betreft nog heel andere oorzaken voor de hand. Waarvan ik niet uit wetenschap weet, maar uit eigen ervaring en contact met andere mensen met ervaring.

Ten eerste: Behandeling van een depressie bestaat al te vaak alleen uit psychologisch een beetje pappen en nathouden in combinatie met nadruk op medicamenteuze behandeling. Dit terwijl er (volgens mij) onderliggend vaak veel meer dan een biologische kwestie, een existentiële kwestie speelt. De persoon met een depressie weet zich niet goed te verhouden tot het eigen leven, is op een verkeerd spoor geraakt, en heeft nieuwe vaardigheden, andere ervaringen, een nieuw perspectief nodig. Soms wordt daar wel aan gewerkt tijdens de depressie en het herstel daarvan, maar soms ook niet. De mensen bij wie het niet gebeurt of bij wie pogingen daartoe niet slagen, zijn na hun eerste depressie eigenlijk niet genezen, maar alleen weer even een beetje opgelapt. Zij krijgen zo goed als zeker een volgende depressie, maar dat is gewoon dezelfde depressie! Echter in de cijfers tikt het lekker aan op deze manier.

Ten tweede: Het algehele ontmoedigingsbeleid, gebaseerd op het “wetenschappelijk gefundeerde” idee van een onderliggende biologische kwetsbaarheid, die een verhoogd risico zou blijven vormen. Dit heeft het in zich om een self-fulfilling prophecy te worden. Mensen, óók gezonde en zelfstandige mensen, zijn gevoelig voor elkaars oordeel, en ik betwijfel of de psychische gezondheid van de meeste “gezonde” mensen zou standhouden als zij geconfronteerd zouden worden met de oordelen die iemand over zich heen krijgt als eenmaal bekend is dat er sprake zou zijn van een psychische stoornis. Ik heb dus een sterk vermoeden dat stigmatisering een vrij grote bijdrage levert aan de ongunstige cijfers die de wetenschap kan vaststellen voor mensen die ernstige psychische problemen gehad hebben.

Daarbij is het niet eens zo eenduidig dat biologische of zelfs genetische gegevens altijd tot onveranderlijke eigenschappen zouden leiden.

Vanuit de wetenschap zijn er de afgelopen tijd steeds meer aanwijzingen gekomen dat de hersenen toch meer aanpassings- en veranderingscapaciteit hebben dan ik nog geleerd heb in de biologieles.

In ieder geval is mijn eigen emotionele stabiliteit geen absoluut onveranderlijk gegeven, aangezien deze nog dramatisch veel slechter geworden is in de periode dat ik behandeld werd voor een onjuiste diagnose, terwijl er daarna juist duidelijke verbeteringen in gekomen zijn. Weliswaar is deze dynamiek moeilijk te onderscheiden van symptomen van de “ziekte” zelf die nu minder worden door “genezing”.

Wat dat betreft is het begrip van wat “ziekte” is, en wat de “symptomen” daarvan zijn en wat bij de “oorzaak” hoort, sowieso nog rampzalig slecht te onderscheiden in de psychiatrie met dank aan het DSM-systeem.

Ook dit bemoeilijkt het gebruik van “wetenschappelijke” bevindingen nogal. Zo worden er “ziektes” onderzocht waarvan feitelijk niet eens zeker is of ze wel bestaan als zodanig. Het valt dan al niet mee om duidelijke resultaten te krijgen, maar soms worden er toch afwijkingen aan de hersenen opgemerkt bij onderzoek aan mensen met een psychiatrische diagnose. Zo lang deze afwijking echter niet consistent en specifiek aanwezig is bij alle personen met een bepaalde diagnose, is het onwetenschappelijk om te beweren dat als iemand symptomen vertoont waarmee de diagnose via de DSM binnengeharkt kan worden, die persoon dan dus ook de afwijking in de hersenen zou hebben die men bij onderzoeken naar die diagnose wel eens gezien heeft. Toch wordt dit vaak moeiteloos en met groot gezag zo gesteld.

Ervaringskennis heeft ook iets toe te voegen.

Los van statistiek en speculaties over hersenplaatjes is het voor mij persoonlijk duidelijk genoeg dat er veel verandering mogelijk is in mijn gedrag en psychische toestand, al zie ik ook al te goed dat ik in sommige opzichten steeds maar niet schijn te kunnen veranderen. Dit is iets dat ik over het algemeen bij andere mensen ook terugzie. Soms valt daarbij op dat vanuit het ene perspectief alleen maar ellende, en vanuit een ander perspectief spectaculaire verbetering te zien is.

Eigenlijk bestaat er geen goed recept om menselijke ontwikkeling te voorspellen of zelfs in een met zekerheid gunstige richting te sturen, en dit maakt leven en ontwikkeling van mensen erg spannend. Maar door verbeterde zelfkennis en levensvaardigheden kan iemand de eigen psychische gezondheid wel degelijk relatief veilig leren stellen ondanks oorspronkelijk aanwezige riskante (biologische) eigenschappen. Mogelijk heeft zo iemand in vergelijking met een ander, die van nature een gunstiger biologisch profiel voor psychische gezondheid had, en nooit aan zichzelf heeft hoeven werken, zelfs een lager risico en vooral ook meer inzicht en mogelijkheden!

 

Waarom ik mijn beestje liever niet bij de DSM-naam noem.

Soms wordt er nog wel gezegd bij het praten over psychische ‘aandoeningen’: je kunt het beestje het beste bij de naam noemen. Met de de naam van het beestje wordt dan vaak de DSM-diagnose bedoeld.

De diagnose die ik tijdens mijn laatste behandeltraject had, was binnen het DSM-construct wel de meest juiste keuze die mijn psychiater had kunnen maken. Toch gebruik ik de naam van de diagnose over het algemeen niet graag bij het omschrijven van mijn problemen.

In dit stuk wil ik het er voor deze keer wèl over hebben. Dan hebben we het over de “Ontwijkende Persoonlijkheidsstoornis”. Ofwel het voldoen aan de volgende criteria zoals omschreven in de DSM:

Een diepgaand patroon van geremdheid in gezelschap, gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel, beginnend in de vroege volwassenheid en tot uiting komend in diverse situaties, zoals blijkt uit vier (of meer) van de volgende kenmerken:

  • vermijdt beroepsmatige activiteiten die belangrijke intermenselijke contacten met zich meebrengen vanwege de vrees voor kritiek, afkeuring of afwijzing
  • heeft onwil om bij mensen betrokken te raken, tenzij er zekerheid bestaat dat men hem aardig vindt
  • toont gereserveerdheid binnen intieme relaties uit vrees vernederd of uitgelachen te worden.
  • is gepreoccupeerd met de gedachte in sociale situaties bekritiseerd te worden of afgewezen te worden.
  • is in intermenselijke situaties geremd vanwege het gevoel tekort te schieten.
  • ziet zichzelf als sociaal onbeholpen en voor anderen onaantrekkelijk of minderwaardig.
  • is uitzonderlijk onwillig persoonlijke risico’s te nemen of betrokken te raken bij nieuwe activiteiten omdat deze hem in verlegenheid zouden kunnen brengen.

Op zich raakt de globale omschrijving bovenaan, aardig de kern: “Diepgaand patroon (…) van gevoel van tekortschieten en overgevoeligheid voor een negatief oordeel (…)”. Wat dat betreft niet slecht, voor een DSM-classificatie.

Ook met het voldoen aan de criteria kan ik wel instemmen, zeker in gesprek met de hulpverleners die dit zo zagen. Dit is ook relatief goed te doen zoals altijd in de DSM, omdat je nooit aan alle kenmerken hoeft te voldoen. Dat ik vaak juist graag betrokken raak bij nieuwe activiteiten, ondanks angst om in verlegenheid te komen, verhindert dus niet dat de diagnose van toepassing is.

Toch zou ik deze bewoordingen zelf nooit gekozen hebben. Ik heb dus het gevoel dat ik er maar aan toegeef omdat de DSM nu eenmaal niets beters te bieden heeft. Niet omdat het zo’n geweldig rake omschrijving is. Het is niet alleen de woordkeuze die stoort, maar ook dat het probleem eenzijdig omschreven is. Een aantal voor mij essentiële zaken blijven buiten beeld, waardoor een verontrustend vervormde, potentieel misleidende weergave van mijn probleem ontstaat.

Erger nog dan de DSM-criteria, zijn sommige omschrijvingen die professionals nota bene verspreiden om het algehele beeld te illustreren, zoals deze: http://www.e-psychiater.nl/psychiatrie/persoonlijkheidsstoornissen/ontwijkende-persoonlijkheidsstoornis/

Bijna van begin tot einde zwaar irritant, maar voor mij persoonlijk is het dieptepunt wel bereikt met:

 Leuk iets nieuws ondernemen, op avontuur uitgaan, een praatje met iemand aanknopen, dat is allemaal niets voor iemand met een ontwijkende persoonlijkheidsstoornis. 

Al vind ik

Het kan bij iemand met een ontwijkende persoonlijkheid wel eens lang kunnen duren voordat je er achter bent dat het stille water toevallig een ondiep plasje was

ook bijzonder irritant, maar dit wordt in de context waar ik hem uit gehaald heb, tenminste nog gerelativeerd.

Sowieso zijn de meeste omschrijvingen van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis in strijd met de temperamenteigenschap “novelty seeking”. Toch een eigenschap waarvan de psychiater die de diagnose bij me stelde aangaf dat ik die ook in hoge mate bezit, naast de voor de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis meer typerende “harm avoidance”. Deze aanvullende uitleg van hem was voor mij herkenbaar en verhelderend. Daardoor voelde ik me alweer beduidend beter begrepen door hem, dan door de diagnose op zich.

Vanwege “novelty seeking” was sociale vermijding voor mij aanleiding tot nog beduidend hogere lijdensdruk dan gemiddeld bij sociale angst, zodat ik vaker dan bij deze angst verwacht zou worden, situaties toch opzocht. Dit wel tegen de prijs van het moeten ondergaan van een intensiteit van angst die vrijwel iedereen uit de weg zou gaan, en die normaal functioneren in veel situaties volstrekt onmogelijk maakte. Iets dat helaas ook wel verkeerd begrepen is als een onafhankelijk van de angst bestaand onvermogen tot functioneren, dat vervolgens angst op zou roepen. Een voor de hand liggende, maar voor mij haast fatale misinterpretatie.

Misinterpretaties van gedrag liggen sowieso vaak voor de hand bij het denken in DSM diagnoses. Dit effect wordt nog versterkt door de stereotyperingen die om de diagnoses heen gecreëerd worden, en die een eigen leven gaan leiden naast de DSM-symptomenlijstjes zelf.

Omdat mijn gedrag in een aantal opzichten regelmatig in tegenspraak is met het stereotype van de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis, is het al te verleidelijk om direct te concluderen dat ik wel iets anders zal hebben! Of, als toch herkend wordt dat ik aan de criteria voldoe, gaat men ijverig op zoek naar een comorbide stoornis er bovenop om de atypische gedragingen te verklaren!

Al dat stoornissen zoeken en zelfs ten onrechte vinden is behoorlijk schadelijk geweest voor mijn toch al tot negativiteit neigende zelfbeeld. Volgens mijn psychiater was het bovendien overbodig. Niet iedere atypische eigenschap zou een stoornis als verklaring moeten krijgen, vindt hij. “Ontwijkende persoonlijkheidsstoornis” was voor hem de juiste DSM-classificatie van mijn probleem, maar zeker geen beschrijving van mijn gehele persoonlijkheid!

Dat zouden DSM classificaties ook nooit zijn, zoals ik wel vaker hoor.

Bij persoonlijkheidsstoornissen zit daar toch nog een extra moeilijkheid. Daar wordt wel van gezegd dat het niet echt ziektes zijn, maar problematisch extreme variaties van persoonlijkheden. Op zich denk ik daar ook ongeveer zo over. Echter, juist zo bezien ligt het voor de hand om de ontwijkende persoonlijkheidsstoornis te interpreteren als een extreme variant van een angstige en introverte persoonlijkheid, met hoge “harm avoidance” en lage “novelty seeking”. Passend bij de afschuwelijke stereotyperingen die professionals erover online zetten…

Strikt genomen kan ik dan altijd nog zeggen dat zo’n stereotype interpretatie toch maar een voorbeeld is en dat het er in werkelijkheid best anders uit kan zien. Natùùrlijk hebben mensen eigenschappen die “niet bij hun stoornis passen”, of die de aandacht afleiden van de kern van het probleem. Daarom is diagnosticeren ook echt niet zo gemakkelijk! Zelfs niet met kant-en-klare symptomenlijstjes…..of JUIST niet met kant-en-klare symptomenlijstjes?

Nu mijn GGZ-dossier gesloten is, is het bovendien onmogelijk geworden om zinvolle uitspraken te doen over mijn actuele diagnose. Tijdens het eindgesprek vertelde mijn psychiater dat dit niet geregeld is in het diagnostisch systeem. Voor hem leefde het “beestje” sowieso slechts in dienst van de GGZ behandeling, en hoefde het nu dus geen naam meer te hebben.

Eigenlijk zou het me juist best handig lijken om mijn problemen met een paar woorden aan medisch jargon te kunnen omschrijven, vergezeld van een compacte uitleg voor wie het jargon niet kent. Maar het noemen van een naam die mensen op het spoor zet van misleidende stereotyperingen vermijd ik toch liever…!

Laat een einde komen aan het eeuwig “herstel”!

Vanwege de titel zal ik het direct recht proberen te zetten: De “herstel” beweging in de psychiatrie heeft veel goeds gebracht. Zij heeft veel mensen met vernietigende ervaringen in de psychiatrie geholpen om weer wat eigen regie te pakken. Dat was in ieder geval een belangrijke stap voor iedereen die zich het slachtoffer voelde van een bestaan dat geregeerd werd door diagnose en medicatie. Het werkte bekrachtigend om weer te willen en durven leven, in plaats van slechts lijdzaam te overleven.

Desondanks zitten er kanten aan het “herstel” verhaal waar ik bepaald minder enthousiast over ben, en waarvan ik denk dat het misschien wel anders zou moeten. Dit zijn zelfs elementen die over het algemeen een belangrijke plaats krijgen in het gebeuren rondom ervaringsdeskundigheid en herstel.

Laat ik dit uitleggen aan de hand van een citaat uit mijn map van de cursus “Werken met eigen ervaring”:

Een van de belangrijkste lessen die ik heb moeten leren is dat herstel niet hetzelfde is als genezing. Ik heb 21 jaar met deze ziekte geleefd en ik leef er nog steeds mee. Ik mag daarom aannemen dat ik nooit “genezen” zal zijn, maar dat ik op weg ben naar herstel. Herstel is een proces, geen doel in zichzelf. Herstel is een houding, een strategie om de dag en de dagelijkse uitdagingen de baas te worden. Voor mij betekent dat dat ik weet dat ik bepaalde beperkingen heb en dat er dingen zijn die ik niet kan. Maar in plaats van toe te staan dat ik daardoor wanhopig word en het hoofd in de schoot leg, heb ik geleerd dat de wetenschap van wat ik niet kan me ook laat zien wat ik wel kan.”

Aldus Pat Deegan, gediagnosticeerd met schizofrenie, en een van de belangrijkste grondleggers van herstel. Vanuit haar situatie gesproken, wijze woorden, die ook getuigen van veel levenskracht en moed.

Het probleem van de gegeneraliseerde herstelvisie.

Wat mij nu opvalt is dat Deegan hier heel netjes voor zichzelf spreekt. Desondanks is het precies dit idee over herstel dat wijd uitgedragen wordt voor iedereen. Natuurlijk wel met de altijd alles oplossende toevoeging dat het voor iedereen anders is. Zo kun je niet meer redelijkerwijs op onwaarheden genageld worden: als iemand het er niet mee eens is, is het voor die persoon gewoon anders. Dat lijkt een handige oplossing om een abstract concept dat op mensen van toepassing gemaakt wordt ( in dit geval “herstel”) naar iedereen zijn zin te maken. Toch lijkt het mij niet juist.

Eigenlijk lijkt het zelfs een beetje op de manier waarop diagnoses soms te pas en te onpas opgerekt worden om maar te kunnen blijven verdedigen dat iemand het heeft, ondanks een belangrijk gemis aan precies de symptomen die toch als kern van de diagnose verondersteld worden. En net als daar kan het ook hier ten onrechte de indruk wekken dat volledige gezondheid onbereikbaar geworden is. Er is in beide gevallen sprake van beperkingen, die impliciet zowel absoluut gemaakt worden als ook significant te onderscheiden van die van “gezonde” mensen.

Beperkingen van het woord “herstel”, en meer beperkingen door het als iets oneindigs te zien!

Hoe positief ook vanuit bepaalde uitzichtloze omstandigheden in de psychiatrie, het woord “herstel” impliceert toch echt dat het niet verder kan gaan dan iets terug in orde maken. Een ontwikkeling die op een hoger niveau uitkomt dan voor de crisis, lijkt bij het gebruik van het woord “herstel” al uitgesloten. Even hoog uitkomen is het eeuwige en onbereikbare ideaal waar je de rest van je leven aan mag gaan wijden.

Dit terwijl het zelfs vanuit medisch perspectief lang niet altijd waar is dat iemand die flinke psychische problemen gehad heeft, nooit meer volledig gezond zou kunnen worden. Het lijkt wel of heel de herstel-beweging meegetrokken wordt in een reactie op de meest vernietigende medische prognoses die er uitgedeeld zijn.

Het ligt eigenlijk ook wel voor de hand dat de mensen die genezen minder invloedrijk zijn in de herstelbeweging. Mensen voor wie herstel een doel is dat ze bereiken en achter zich laten, zullen over het algemeen verdergaan met een leven dat niets meer met psychische aandoeningen te maken heeft, en zich minder betrokken blijven voelen bij de herstel-beweging. Die blijft zodoende grotendeels in handen van mensen die niet genezen, ernstig getraumatiseerd zijn in de psychiatrie, of niet durven te geloven dat ze genezen zijn.

Zo wordt er toch een wat scheef beeld van herstel gecultiveerd. Dat zou ik graag anders zien want ik vind het ontmoedigend. Het dreigt mij aan te trekken tot de groep die niet durft te geloven dat ze genezen zijn, en precies daardoor inderdaad niet kan genezen. De prognose van mijn laatste psychiater komt me in ieder geval beduidend gunstiger voor dan wat ik keer op keer ervaar in mijn omgang met de herstelbeweging.

In deze ontmoediging door omgang met de herstelbeweging – die, ik zeg het nog maar eens, ook juist beduidend bekrachtigende elementen in zich heeft – gaan het idee dat ik mezelf nooit meer als een werkelijk geestelijk gezond persoon zou kunnen zien en de “wetenschap van wat ik niet kan” (uit het citaat van Deegan) hand in hand.

De “wetenschap van wat niet kan” als beperking en bevrijding…!

Een aanzienlijk deel van mijn leven ben ik bezig geweest om een wetenschap van wat ik niet kan op te bouwen. Uiteindelijk is de meest zekere kennis die ik heb kunnen verwerven over wat ik niet kan: dat ik niet met zekerheid kan achterhalen wat ik ècht niet kan. Soms lukken dingen niet, dat is duidelijk genoeg. Maar wanneer wordt dat tot een bewijs dat ik het ook echt niet kan? Of zelfs tot een bewijs dat ik het ook niet kan leren?

Wel ben ik tot het inzicht gekomen dat een overmatige focus op, en intensiteit van emotionele ervaring bij mijn eigen fouten en tekortkomingen een belangrijke rol spelen in mijn psychische problemen. Het bewust bedrijven van een wetenschap van wat ik niet kan, toont mij dus in eerste instantie altijd zeer duidelijk en indringend dat ik helemaal niets kan.

Dat is ook echt waar, want er is niets dat ik onder alle omstandigheden perfect kan doen. Alleen van deze wetenschap word ik bepaald niet beter.

Tot ik ook “gezonde” mensen ga meenemen in mijn wetenschap van het niet kunnen, en ik erachter kom dat (in mijn interpretatie van “kunnen”) ook zij helemaal niets kunnen…!

Dat is mijn ingang om weer te kunnen zien wat ik allemaal wel kan. Pas hiermee verwerf ik het uitzicht dat ik niet eeuwig gedoemd hoef te zijn tot een proces dat hoe dan ook nooit meer helemaal gezond kan worden, en dat in de aard van het woord niet hoger kan komen dan het begonnen is.

Pas in deze wetenschap van wat gezonde mensen ook niet kunnen, heeft mijn herstel kans om zijn doel te bereiken, en over te gaan in ontwikkeling als mens!

Over de oorsprong van mijn filosoferen in de psychiatrie Deel 2: Wetenschap en Waarheid

Zelfinzicht.

Natuurlijk had ik inderdaad een gebrek aan zelfinzicht op het moment dat ik hulp zocht bij de GGZ.

In feite heeft iedereen altijd een gebrek aan zelfinzicht. Maar er was iets dat inderdaad van belang was voor de diagnostiek, dat ik aan mijn eigen zicht onttrok met een muur van stoerheid en rationaliteit. Ik wilde mezelf geen “zwakheid” toestaan, en een hulpverlener zou dus van goede huize moeten komen om de zwakheden te ontdekken die ik zelfs voor mezelf wilde verbergen.

Ik was bang. Ik had een enorme angst dat ik niet goed genoeg was, en dat anderen mij niet zouden accepteren. Deze angst was vaak zo heftig dat ze mijn gedrag overnam, zodanig dat ik niet kon presteren en voor anderen moeilijk gedrag vertoonde. Ik had mezelf erin verstrikt en voelde dat ik op deze manier niet veel verder kon komen in het leven.

Vermoedelijk hebben mijn hulpverleners niet goed kunnen zien wat er achter mijn muur van stoerheid en rationaliteit was, en zagen min of meer de muur zelf voor het probleem aan. Hun zogenaamde analyse bestond eruit dat ze mijn muur direct op zicht vergeleken met alles wat ze verder zoal te zien krijgen.

De hierop gebaseerde diagnose kwam in eerste instantie als vervreemdend en nietszeggend binnen, maar verduidelijkte zich langzaam maar zeker tot de volgende boodschap:

“Wat jij als je angst ervaart is helaas de harde waarheid. Dat niet alleen, er zijn nog veel meer redenen waarom je niet goed genoeg bent en je nooit door anderen geaccepteerd zult worden, dan je ooit hebt kunnen vermoeden. Jouw ervaring van jezelf is in grote tegenspraak met hoe jouw hersenen in werkelijkheid in elkaar zitten. Zodra je je bij dit alles neer kunt leggen, kunnen wij je helpen om toch nog een draaglijk leven te lijden”.

Tegen een zo heftige aanval moest ik wel in de verdediging schieten. Ik verdedigde mijn leven door de diagnose aan te vallen. Helaas was het gevolg hiervan niet dat hulpverleners gingen nadenken over de juistheid van de diagnose, maar in plaats daarvan verdedigden zij de diagnose door mij aan te vallen.

Hoewel ik wel aanvoelde dat het helemaal mis ging tussen mij en de hulpverleners, deed ik geen moeite voor een betere behandelrelatie. Het ging hier om wetenschap en feiten, en ik moest dat winnen door aan te tonen dat de diagnose wetenschappelijk onjuist was. Anders zou mijn overwinning geen waarde hebben.

Wetenschap.

De wetenschap had een soort status van heiligheid voor mij. Het was de poort naar de waarheid. Het was het zuivere ontdekkende principe, verheven boven menselijke tekortkomingen.

Tijdens mijn crisis klampte ik me dus krampachtig vast aan de onderzoeksmaster waar ik mee bezig was. Maar naarmate ik verder binnendrong in zowel de wetenschap als mijn crisis, begon ik een heel ander beeld van de wetenschap te krijgen.

Het zuivere ontdekkende principe was nergens te bekennen. Erger nog, als ik eens om me heen keek, leek de misère niet eens beperkt tot mij als emotioneel instabiele en onderaan in de hiërarchie spartelende student. Ik had de stellige indruk dat de meeste mensen in de wetenschap moeizaam voort ploeteren, vaak op een claustrofobisch klein gebiedje, nauwelijks wetend wat er in de gebieden om hen heen gaande is, eigenlijk niet eens helemaal wetend waar ze zelf mee bezig zijn!

Toch wilde ik na mijn crisis nog verder in de wetenschap. Mijn negatieve ervaring was vast voortgekomen uit mijn negatieve gemoedstoestand. Ik verlangde nog altijd naar het zuivere ontdekkende principe. Daarbij verlangde ik ook naar een carrière waarin ik om mijn kwaliteiten gewaardeerd kon worden. Ik kon eigenlijk niet om de wetenschap heen. Ter voorbereiding van het afronden van mijn stage las ik een enkele tekst over onderzoek naar schizofrenie. Dit was het einde van mijn hernieuwde streven tot wetenschap, want er was iets dat mij pijnlijk raakte in die tekst.

Het gebrek aan menselijk gevoel! Dat wat ik ervaren had bij mijn behandelaars, dat wat ik mezelf en anderen aandeed als ik zo nodig stoer en rationeel moest zijn! We zien alleen waarheden die we kunnen meten met onze apparaten en methodes, al het andere ontkennen en negeren we en als dat niet lukt dan miskennen we het. De wetenschap: een keiharde zielloze machine, niet in staat tot enig begrip voor de menselijke ervaring.

Het waansysteem als ingang voor de filosofie.

Nu, teleurgesteld in de wetenschap, nog altijd met een innerlijke drang naar waarheid en ontdekkingen, en zonder duidelijke doelen in het leven, richtte ik mijn aandacht weer op mezelf. Alweer aangedreven door angst en wanhoop, maar nu ook gesteund door hoop en hulpverleners die begrip voor mij hadden, bekeek ik de ruïnes van alles waar ik ooit in geloofd had.

Niet alleen de wetenschap, maar ook iets in mij zelf was keihard en niet in staat tot menselijk gevoel. Net als de wetenschap, was dit tegelijk ook iets waar ik een enorme waarde aan hechtte, die ik niet echt wilde loslaten. Het waren de eisen die ik aan mezelf stelde, het zat diep in mijn eigen systeem van normen en waarden! Omdat ik direct aanvoelde dat er iets niet aan deugde, terwijl ik er toch ook een bijna onaantastbaar geloof aan hechtte, noemde ik het mijn “waansysteem”.

Het was dit “waansysteem” dat mij ieder moment het bestaansrecht kon bestrijden, steeds als ik niet aan de onmogelijke en tegenstrijdige eisen die het aan me stelde, wist te voldoen. Bovendien moest ik er niet aan denken hoe slecht ik zou zijn als mens, in het geval dat ik deze eisen ook op anderen zou toepassen!

Ondanks enige vrees voor antipsychotica vertelde ik mijn psychiater over mijn waansysteem. Mijn psychiater luisterde eens goed naar mij en vond tot mijn grote verrassing, dat ik aardig bezig was met filosoferen! Het leek hem een goed idee dat ik me verder zou verdiepen in filosofie, en ook met andere geïnteresseerde mensen over filosofie zou praten. Ook mijn psycholoog ondersteunde dat idee van harte. Zo kwam het, dat ik me aanmeldde voor mijn allereerste filosofiecursus!