Is het stigma, of is het wetenschap?

Op het eerste zicht lijken wetenschap en stigma zeer ver uit elkaar te liggen. Wetenschap baseert zich op feiten en logica, en velt principieel geen oordelen die zich daar niet rationeel uit laten rechtvaardigen. Terwijl een stigma precies een onrechtvaardig oordeel is, gebaseerd op beperkte kennis en geveld door negatieve emoties, eventueel geholpen door het rationaliseren van de beperkte kennis.

Desondanks zie ik wetenschap en stigma soms bedrieglijk dicht bij elkaar komen. Bijvoorbeeld bij het idee dat bij psychische aandoeningen sprake is van een in biologische aanleg aanwezig gebrek dat de emotionele stabiliteit ondermijnt. Daardoor zou ook als er geen sprake meer is van ziekte, toch een verhoogd risico blijven bestaan dat iemand weer ziek wordt. Er lijkt op zich redelijk geloofwaardige wetenschappelijke basis te bestaan voor dit idee, voor zover ik dat kan weten zonder er zelf wetenschappelijke expertise in te hebben.

Vanuit dit idee over verhoogde risico’s blijkt het nogal voor de hand te liggen om iemand te ontmoedigen die bijvoorbeeld na een psychische crisis nog een uitdagende studie wil gaan doen, of om zo iemand in ieder geval niet in een verantwoordelijke positie te willen, en hem of haar eigenlijk (onbedoeld) een volwaardig leven zo ongeveer onmogelijk te doen toeschijnen, aangezien alles wat hij/zij wil, opeens te hoog gegrepen zou zijn…En dat ervaar ik overduidelijk als stigma.

Desondanks zou het kunnen dat er inderdaad sprake zou zijn van een hoog risico, en dat daaraan gekoppelde oordelen niet onrechtvaardig zouden zijn.

Wat de wetenschap ons (niet) kan vertellen over de risico’s voor het individu.

De wetenschap kan bijvoorbeeld zeggen, dat mensen die ooit een depressie gehad hebben, een grotere kans hebben op een volgende depressie. Door een groot aantal mensen in de gaten te houden en zorgvuldig volgens wetenschappelijke methodieken incidenties te turven, kan men inderdaad een dergelijke uitspraak wetenschappelijk funderen.

Deze bevindingen gelden echter voor groepen mensen, waarbinnen vaak een aanzienlijke variatie bestaat. Het is dus niet wetenschappelijk verantwoord om deze bevindingen zomaar terug te projecteren op een individu.

Bovendien zijn dergelijke incidentiecijfers lang niet voldoende om uitspraken te kunnen doen over de oorzaken. En zonder kennis van de oorzaak, wordt het nog moeilijker en onwetenschappelijker om nog iets zinnigs te zeggen over de risico’s voor een individu.

Naast het idee van de onderliggende biologische gevoeligheid voor depressies, liggen wat mij betreft nog heel andere oorzaken voor de hand. Waarvan ik niet uit wetenschap weet, maar uit eigen ervaring en contact met andere mensen met ervaring.

Ten eerste: Behandeling van een depressie bestaat al te vaak alleen uit psychologisch een beetje pappen en nathouden in combinatie met nadruk op medicamenteuze behandeling. Dit terwijl er (volgens mij) onderliggend vaak veel meer dan een biologische kwestie, een existentiële kwestie speelt. De persoon met een depressie weet zich niet goed te verhouden tot het eigen leven, is op een verkeerd spoor geraakt, en heeft nieuwe vaardigheden, andere ervaringen, een nieuw perspectief nodig. Soms wordt daar wel aan gewerkt tijdens de depressie en het herstel daarvan, maar soms ook niet. De mensen bij wie het niet gebeurt of bij wie pogingen daartoe niet slagen, zijn na hun eerste depressie eigenlijk niet genezen, maar alleen weer even een beetje opgelapt. Zij krijgen zo goed als zeker een volgende depressie, maar dat is gewoon dezelfde depressie! Echter in de cijfers tikt het lekker aan op deze manier.

Ten tweede: Het algehele ontmoedigingsbeleid, gebaseerd op het “wetenschappelijk gefundeerde” idee van een onderliggende biologische kwetsbaarheid, die een verhoogd risico zou blijven vormen. Dit heeft het in zich om een self-fulfilling prophecy te worden. Mensen, óók gezonde en zelfstandige mensen, zijn gevoelig voor elkaars oordeel, en ik betwijfel of de psychische gezondheid van de meeste “gezonde” mensen zou standhouden als zij geconfronteerd zouden worden met de oordelen die iemand over zich heen krijgt als eenmaal bekend is dat er sprake zou zijn van een psychische stoornis. Ik heb dus een sterk vermoeden dat stigmatisering een vrij grote bijdrage levert aan de ongunstige cijfers die de wetenschap kan vaststellen voor mensen die ernstige psychische problemen gehad hebben.

Daarbij is het niet eens zo eenduidig dat biologische of zelfs genetische gegevens altijd tot onveranderlijke eigenschappen zouden leiden.

Vanuit de wetenschap zijn er de afgelopen tijd steeds meer aanwijzingen gekomen dat de hersenen toch meer aanpassings- en veranderingscapaciteit hebben dan ik nog geleerd heb in de biologieles.

In ieder geval is mijn eigen emotionele stabiliteit geen absoluut onveranderlijk gegeven, aangezien deze nog dramatisch veel slechter geworden is in de periode dat ik behandeld werd voor een onjuiste diagnose, terwijl er daarna juist duidelijke verbeteringen in gekomen zijn. Weliswaar is deze dynamiek moeilijk te onderscheiden van symptomen van de “ziekte” zelf die nu minder worden door “genezing”.

Wat dat betreft is het begrip van wat “ziekte” is, en wat de “symptomen” daarvan zijn en wat bij de “oorzaak” hoort, sowieso nog rampzalig slecht te onderscheiden in de psychiatrie met dank aan het DSM-systeem.

Ook dit bemoeilijkt het gebruik van “wetenschappelijke” bevindingen nogal. Zo worden er “ziektes” onderzocht waarvan feitelijk niet eens zeker is of ze wel bestaan als zodanig. Het valt dan al niet mee om duidelijke resultaten te krijgen, maar soms worden er toch afwijkingen aan de hersenen opgemerkt bij onderzoek aan mensen met een psychiatrische diagnose. Zo lang deze afwijking echter niet consistent en specifiek aanwezig is bij alle personen met een bepaalde diagnose, is het onwetenschappelijk om te beweren dat als iemand symptomen vertoont waarmee de diagnose via de DSM binnengeharkt kan worden, die persoon dan dus ook de afwijking in de hersenen zou hebben die men bij onderzoeken naar die diagnose wel eens gezien heeft. Toch wordt dit vaak moeiteloos en met groot gezag zo gesteld.

Ervaringskennis heeft ook iets toe te voegen.

Los van statistiek en speculaties over hersenplaatjes is het voor mij persoonlijk duidelijk genoeg dat er veel verandering mogelijk is in mijn gedrag en psychische toestand, al zie ik ook al te goed dat ik in sommige opzichten steeds maar niet schijn te kunnen veranderen. Dit is iets dat ik over het algemeen bij andere mensen ook terugzie. Soms valt daarbij op dat vanuit het ene perspectief alleen maar ellende, en vanuit een ander perspectief spectaculaire verbetering te zien is.

Eigenlijk bestaat er geen goed recept om menselijke ontwikkeling te voorspellen of zelfs in een met zekerheid gunstige richting te sturen, en dit maakt leven en ontwikkeling van mensen erg spannend. Maar door verbeterde zelfkennis en levensvaardigheden kan iemand de eigen psychische gezondheid wel degelijk relatief veilig leren stellen ondanks oorspronkelijk aanwezige riskante (biologische) eigenschappen. Mogelijk heeft zo iemand in vergelijking met een ander, die van nature een gunstiger biologisch profiel voor psychische gezondheid had, en nooit aan zichzelf heeft hoeven werken, zelfs een lager risico en vooral ook meer inzicht en mogelijkheden!

 

Advertenties

2 gedachtes over “Is het stigma, of is het wetenschap?

  1. stap 1. luister met oprechte aandacht, oprecht begrip en oprechte empathie: open
    stap 2. oordeel én veroordeel niet
    stap 3. praat MET!!! mensen en NIET!!! over anderen
    stap 4. ga vooral zo verder telkens meer; iedere dag weer

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s