Wanhopige werkperspectieven II

Ondanks een zware periode in de psychiatrie en bij behorende ontmoediging had ik dus weer een masterstudie opgepakt. Daarmee leken mijn werkperspectieven alweer een stuk beter. Het oppakken van een studie was zo tenminste al niet meer even onrealistisch als een Nobelprijs winnen voor een normale, “gezonde” student. Zelfs heb ik al een aantal mooie cijfers gehaald, waaronder met lof voor mijn ‘master thesis’ van een professor die regelmatig in het nieuws mag praten over toxicologie; en een stageplaats verworven bij een bekend instituut waarvan ik de naam niet zal bezoedelen door de mijne eraan te verbinden. Mijn stagebegeleider daar is intelligent, begripvol, heeft humor en wil mij de ruimte geven om me te ontwikkelen.

En toch. De wanhoop heeft opnieuw toegeslagen, ik kan het niet langer ontkennen. Bij colleges en het schrijven van de master thesis had ik er al last van, en nu weer, alleen nu trek ik het onderhand niet meer, na bijna een jaar er tegen gevochten te hebben. Zowel “er” tegen als tegen mezelf, niet wetend wie of wat er nu precies overwonnen moet worden.

In colleges stel ik teveel vragen naar de fundamenten van wat we leren, die uiteindelijk altijd in een ander vakgebied blijken te liggen (zoals de statistiek), of uit heel erg specialistisch onderzoek afkomstig zijn, zodat we ons daar maar niet druk over moeten maken. Het is consensus en dus is het goed, dat argument mag je zelfs gebruiken in schrijfopdrachten en presentaties. Ikzelf ervaar blijkbaar een diep geworteld wantrouwen tegen de consensus zo lang ik niet weet waar die op gebaseerd is, wat vaak alleen maar erger wordt zodra ik de klok heb horen luiden over waar die op gebaseerd is, maar nog niet weet waar de klepel hangt. Voor mijn master thesis ben ik gaan zoeken naar zo’n klepel (de wetenschappelijke basis van de omrekeningsfactor van dierproeven naar mensen). Het kwam er een beetje op neer dat er geen klepel was, maar dat de klok toch luidt omdat iemand er rond 1950 een schop tegenaan gegeven heeft en men sindsdien meent dat dit de manier is….In het geval van mijn master thesis was het blijkbaar wel weer heel prijzenswaardig om niet te vanzelfsprekend mee te gaan met gevestigde praktijken, maar ik begin me toch af te vragen hoe ik nog professional kan worden in een vakgebied waarvan ik de funderingen al wantrouw voor ik ze goed en wel geleerd heb.

Het is sowieso een heel werk om erachter te komen wat nou echt de basis van iets is. Natuurlijk, ik wilde toch ook werk? Maar het is voor een groot deel helaas stomvervelend werk, waarbij ik er tegenaan loop dat ik blijkbaar een beperkte tolerantie heb voor academische teksten. De rijstebrijberg aan publicaties waar je je doorheen moet werken om iets gefundeerd te kunnen zeggen, lijkt daarentegen zo goed als onbeperkt. Zo snijdt de publicatiedruk aan twee kanten: voor de mensen die moeten publiceren is het om gek of frauduleus of iets daar tussen in van te worden, en voor iemand die het allemaal moet lezen eveneens. Niet alleen is het heel véél, het is ook enorm droog, in de meeste gevallen ongeïnspireerd en matig van kwaliteit en lijkt als produkt al te vaak op half verteerde en terug uitgebraakte varianten en combinaties van wat anderen al geschreven hadden, of zelfs van wat ze zelf al eerder geschreven hadden.

Tot misselijkheid toe in herhaling vervallend en naar elkaar verwijzend dus, en het is blijkbaar de bedoeling dat ik dat allemaal opvreet en dan weer bewerkt terug uitkots. Qua misselijkheid moet dat kotsen te doen zijn, maar helaas is het toch wel nodig om enige rationaliteit en concentratievermogen te behouden om een acceptabel stuk te produceren, waar zeker geen misselijkheid aan af te lezen mag zijn. Wat dat betreft is het wel degelijk een hele kunst om te leren.

Daarbij heeft ook nog eens iedere expert zijn eigen vierkante micrometer of kleiner nog, en kan eigenlijk niks zeggen over de micrometers ernaast laat staan verderop (vinden ze zelf vaak, weliswaar mede uit respect naar collega’s), wat het zelfs nog meer tot een enorm energievretend geduldwerk maakt om tot een sluitend totaalbeeld te komen. Hierbij loop ik eerlijk gezegd ook tegen de grenzen van mijn eigen verstandelijke vermogens aan, wat weer een uitstekende aanleiding is om te gaan panikeren over een mogelijke “enge hersenziekte” en/of de vraag of mijn intelligentie niet al zo ongeveer mijn hele leven enorm overschat is. De enige troost daarin is dan, dat het feit dat wetenschappers hun gebiedjes zo klein afbakenen er ook op wijst dat hun eigen verstandelijke vermogens waarschijnlijk ook onvoldoende waren om een groter gebied tot in de diepte te begrijpen. Hoewel dat een geruststellend idee is ten aanzien van de gesteldheid van mijn eigen brein, is het juist verontrustend als het om de wetenschap gaat. Het betekent dat er waarschijnlijk niemand is die zowel het overzicht heeft als de diepte begrijpt, en dit schept enorme mogelijkheden voor misverstanden.

Onderhand helemaal daas van de overdosis aan pogingen tot rationele activiteit begin ik me dan toch weer af te vragen of de wetenschap nou eigenlijk wel zo’n goede keuze voor mij was. Zo ben ik weer een beetje terug bij het perspectief van eerdere blogs waarin ik de wetenschap een beetje afbrandde. Maar dan denk ik ook weer aan wat ik schreef over mijn terugkeer tot de wetenschap, waarbij ik me liet inspireren door Richard Feynman, die aan zijn vriend de kunstenaar uitlegde dat de wetenschap niet tot levenloze abstracties leidt, maar juist tot een verrijking van de levende werkelijkheid. Ik geloof nog steeds wel dat Feynman daarin gelijk heeft, maar ik voel het niet als ik wetenschappelijk werk doe. Daarvoor worden de levendige essenties van kennis die ergens in de wetenschap verborgen liggen, toch teveel bedolven onder de eindeloos voortwoekerende grauwe brij van woorden, cijfers en tabellen.

Tenminste, dat is toch wat het wordt voor mij als ik er te lang en te veel mee bezig moet zijn. Misschien ben ik in de aard dan toch meer kunstenaar dan wetenschapper? Ook al is er voorlopig nog geen kunst die ik beheers, mis ik tot nu toe echt de passie en de drive daarvoor (anders had niemand me toch tegen kunnen houden om me daarin te ontwikkelen), zou ik nog niks weten te verkopen al maakte ik wel echte kunst, en ben ik regelmatig geneigd te denken dat ik me daar toch zeker ook niet op kan storten in de aanwezigheid van de onopgeloste wereldproblematiek? Of ben ik dan dus toch vooral een ‘wereldverbeteraar’, een brenger van veranderingen? Hoe kansloos dat ook lijkt bij mijn persoonlijkheid en vooral ook gezien het feit dat ik als puntje bij paaltje komt niet eens meer zo zeker weet wat er dan precies zou moeten veranderen aan de wereld wil het een verbetering zijn en waar ik in de eerste plaats het lef vandaan haal om te denken dat ik iemand ben die dat beter zou kunnen weten dan al die mensen die het niet zo nodig vinden of er andere ideeën over hebben…Of dan toch, blijkbaar, alleen maar een betreurenswaardig psychiatrisch geval dat nu eenmaal geen duurzaam inzetbare arbeidsvermogens heeft?

Intussen heb ik al bestraffingen van het UWV ontvangen omdat ik wel iets van werk gedaan heb en daarvoor betaald heb gekregen. Ook zijn ze van plan om me volgend jaar extra te gaan korten vanwege mijn arbeidsvermogen, waarbij ze dan wel weer beweren dat ze me willen gaan helpen om werk te vinden. Voorlopig heb ik daar een hard hoofd in. Vanuit het eerdere re-integratietraject, en ook mijn pogingen om bij de carreer office van de universiteit aan betere en helderdere perspectieven te komen, krijg ik eigenlijk dat indruk dat werk dat werkelijk bij mij past, niet bestaat, en dat ik in principe ook nergens geschikt voor ben als ik er niet in slaag om radicaal te veranderen. Bijvoorbeeld door minder wantrouwend te staan tegenover de consensus, door te leren mezelf positiever en enthousiaster te verkopen (zonder per se inhoudelijk genoeg te bieden te moeten hebben dat ik daar zelf ook echt achter kan staan), een eindeloze tolerantie op te bouwen voor saaie en weinig zeggende publicaties (en saai en nutteloos werk in het algemeen), en mijn eigen gebiedje te leren afbakenen zonder me er nog zorgen over te maken of al die losse lapjes onderzoek nog wel genoeg op elkaar en op de onderliggende werkelijkheid aansluiten om nog zinvolle betekenis te hebben anders dan als materiaal om interessant mee te doen naar vakgenoten en geldschieters. Volgens mij vergooi ik dan net de kwaliteiten die ik nog wel heb, in het mij onwaarschijnlijk voorkomende geval dat het me werkelijk zou lukken om zoveel te veranderen.

Een aantal van de veranderingen die ik nodig denk te hebben zouden wel echte verbeteringen zijn ook naar mijn eigen oordeel. Zoals mijn sociale angst echt helemaal overwinnen zodat dat verder geen probleem en geen bron van stress meer is, en net wat beter zijn in het incasseren van mislukkingen en fouten waardoor ik meer durf en meer ruimte heb voor passie en creativiteit waardoor er veel meer mogelijk zou zijn. Maar dat is al zo lang en hardnekkig een probleem, waarvoor ik zelfs al behandeling heb gehad bij de GGZ, dat ik me bijna niet meer kan voorstellen dat het me echt nog kan lukken. Waarschijnlijker lijkt vanuit mijn huidige gemoedstoestand sowieso dat ik uiteindelijk toch wel terug zal afglijden tot psychiatrisch geval zonder toegevoegde waarde (Er zijn zeker ook psychiatrische patiënten die wel een grote toegevoegde waarde hebben! Maar voor mezelf valt me echt psychisch ziek voelen toch wel sterk samen met niet productief kunnen zijn). Het moet ook anders kunnen, vind ik, maar ik zie het (nu /nog?) niet…

Advertenties

Openheid over psychische aandoeningen: Geweldig, maar lees wel de bijsluiter.

Enige tijd geleden stelde een van de supporters van Samen Sterk zonder Stigma (SSzS) iets in de aard van bovenstaande slagzin voor. Heel veel bijval leek deze niet te vinden, maar ikzelf was het er roerend mee eens. In ieder geval beter dan “Pas op, openheid leidt tot begrip”. Hoewel ikzelf ook supporter ben van SSzS, en dus zeker sympathie heb voor deze club, zijn mijn ervaringen met openheid over psychische problemen gemiddeld genomen helemaal niet zo positief geweest en leidden al te vaak tot het tegendeel van begrip. Ik ergerde me dus aan de slagzin “Pas op, openheid leidt tot begrip”, die een beetje de draak leek te steken met angst voor openheid, terwijl deze angst volgens mij vaak gerechtvaardigd is.

Toch zag ik ook wel dat SSzS het echt niet zo irritant bedoelde en er op hun eigen manier ook zeker veel mee bereikt. Ik heb me daarom wel afgevraagd waarom het devies voor mij zelf dan zo onpassend en contraproductief leek. Wat er dus mogelijk in een “bijsluiter” zou moeten staan aan contra-indicaties en dergelijke. Natuurlijk is openheid over psychische aandoeningen sowieso geen kant en klaar nauwkeurig samengesteld farmaceutisch preparaat, maar je moet het zelf mengen, daar begint het al mee.

Daarbij is het in werkelijk gevoelige situaties vaak niet eens een keuze of je er open over bent of niet. Als het echt slecht met je gaat, kan het soms zo overduidelijk zijn dat er iets aan de hand is op psychisch gebied, dat je alleen nog kunt proberen te beïnvloeden WAT mensen denken dat het is, maar het helemaal verbergen is simpelweg niet mogelijk. Of dat al niet vervelend genoeg is, kan het in deze situatie ook vrij gemakkelijk gebeuren dat mensen alles wat je zegt gaan herinterpreteren volgens hun eigen opvattingen, omdat ze ervan uitgaan dat je het zelf door je psychische aandoening wel niet helemaal juist zult hebben. Je bent bijvoorbeeld emotioneel te sterk verstoord om nog rationeel te kunnen zijn, en hebt daarbij mogelijk ook nog een gebrek aan zelfinzicht en/ of bent in ontkenning, zo redeneren ze. Probeer in die situatie nog maar eens begrip te laten ontstaan uit je openheid. Hard wegrennen lijkt me dan eerlijk gezegd nog steeds een veel vruchtbaarder optie, vooropgezet dat je daarmee ook werkelijk kan ontsnappen. Begrip zoeken valt dan tenminste nog ergens anders te proberen.

Op de website van SSzS staan op zich best goede tips hoe je het moet aanpakken met die openheid. Daar blijkt ook al uit dat het niets iets is wat je er zomaar even uitflapt, of waar een vaste gouden standaard voor bestaat. Maar het is heel frustrerend als je iets tegen stigma wilt doen en nog niet klaar bent voor delicate communicatie over een van de meest precaire zaken die je maar bespreekbaar kunt maken, terwijl het dan toch lijkt of “openheid” het enige is dat je kunt doen. En dat het eigenlijk tot begrip zou moeten leiden.

Ik denk eigenlijk dat de mogelijkheid om op een vruchtbare manier “open” te zijn over problemen, en daarmee aan stigmabestrijding te kunnen doen, wel eens nauw zou kunnen samenhangen met de “fases van herstel”. De “openheid” zoals bedoeld door SSzS is dus in mijn beleving in ieder geval ongeschikt voor mensen die nog in de fase van “beheerst worden door de stoornis” zitten, en ook nog problematisch in de fase van “strijd tegen de stoornis” . Dit is extra hinderlijk omdat dit wel precies de fases zijn waarin je ook het meeste onder stigma te lijden kan hebben, althans zo was dat voor mij zelf wel. De reden dat mijn communicatie over de stoornis in deze fases contraproductief was, ligt erin dat het héél zwaar emotioneel beladen was allemaal, en dat ik zelf eigenlijk ook niet precies wist wat ik had laat staan wat verstandig was om erover te vertellen. Ik vertelde dus meestal wat het meest emotioneel beladen was, want dat lag vooraan in mijn geest en moest eruit, en dat was deels zo intens verschrikkelijk dat het uitstekend geschikt was om andere mensen bang te maken en op zijn minst te doen denken dat ik toch wel een heel betreurenswaardig geval was.

In de fases “leven met de stoornis”, en beter nog, “leven waarin de stoornis een ondergeschikte rol speelt” lijken de aanbevelingen over openheid van SSzS mij beter deugdelijk toepasbaar. Desondanks merk ik dat ik zelf naarmate ik verder ben in mijn herstel, juist minder gretig ben om aan “openheid” te doen. In feite ben ik nu nog aan het herstellen van mijn ervaringen met “openheid” toen ik er nog niet klaar voor was om het te kunnen, maar desondanks geen keuze had. Het is juist heel fijn om er eindelijk ook steeds vaker voor te kunnen kiezen om niets te laten merken en er niets over te zeggen, en alleen af en toe iets van mijn angsten en onzekerheden te delen waar dit nog te begrijpen is vanuit de “normale”/ “gezonde” menselijke ervaring die mensen zonder psychische aandoening ook wel kennen. En waar ze dus ook begrip voor hebben!

Wel zou ik het mooi vinden als het er nog eens van komt dat ook ik leer wat de meest effectieve dingen zijn die ik zonder mezelf sterk te benadelen en/of mezelf weer in de angst te verstrikken, kan vertellen over mijn “psychische aandoening”. Lastig is daarbij wel dat die angst ook besloten ligt in de aard van mijn “aandoening” zelf. Bovendien is het zelfs als zuiver rationele opgave, nog los van de emotionele lading, best een moeilijk probleem om zulke zaken wel helder te benoemen maar er geen stigmatiserende scheiding mee te trekken tussen mensen met en zonder “stoornis”.

Ook zou ik nog wensen dat er wèl hanteerbare mogelijkheden aangereikt zouden kunnen worden voor stigmabestrijding door mensen die juist nog in de zwaarste fases verkeren, en het het hardste nodig hebben. Waarschijnlijk zal het dan vooral gaan om het bestrijden van hun zelfstigma. Althans ik heb nu de indruk dat het eigenlijk wel nodig is om zelfstigma enigszins onder controle te hebben voordat je effectief de strijd aankunt met het publieke stigma. Echter dat lijkt ook een beetje te zeggen dat je eerst maar eens aan jezelf moet werken, een beeld dat op zichzelf alweer het zelfstigma kan versterken, en de wens om juist naar buiten toe iets van verandering te brengen nog altijd frustreert. Het aanpakken van zelfstigma als enige optie is dus ook niet bevredigend.

Stigmabestrijding en de juiste vorm en mate van openheid over psychische aandoeningen is zeker niet eenvoudig. Openheid kan vast een geweldig medicijn zijn tegen stigma, maar het is niet altijd en voor iedereen effectief en kan ook tot ongewenste effecten leiden.  Lees dus wel de bijsluiter! Of eigenlijk: probeer maar eens om eerst je eigen bijsluiter te schrijven, want die wordt er niet standaard bij geleverd, zo min als een ander het preparaat voor je kan mengen.

Gevaarlijke overbruggingen in en uit de GGZ.

Bruggen zijn eigenlijk bedoeld om veilig over te steken. Om een brug werkelijk op die manier te gebruiken, is toch een zekere stabiliteit vereist en de intentie om inderdaad veilig over te steken. Iemand in grote psychische nood kan heel anders naar een brug kijken. Bovendien is sowieso niet iedere brug even veilig.

In dit artikel komen drie gevaarlijke bruggen voor de persoon in psychische nood ter sprake: De brug naar de goede behandelaar, die vaak gevaarlijk en gammel is maar waarbij de overkant bereiken wel je redding kan betekenen, de brug waar je misschien van af zou willen springen, en de brug van een beperkt leven in de GGZ naar een vrij leven in de maatschappij (ahum, voor zover dat laatste geen contradictie is).

De brug naar de goede behandelaar kan vereisen dat je gaat “shoppen” terwijl de slechte behandelaar je dit afraadt, en lijkt sowieso vaak geduld en stabiliteit te vereisen op momenten dat je dit absoluut niet hebt. Vooral bureaucratische processen waar alle betrokkenen zodanig in verstrikt raken dat het onmogelijk gemaakt wordt om snel genoeg met de behandeling te beginnen zijn hier erg sterk in. Ook het moeten afwerken van een schijnbaar eindeloze reeks slechte behandelaars voor je ooit een goede tegenkomt kan een zeer riskante beproeving zijn. Beide situaties heb ikzelf ervaren en deze waren zeer gevaarlijk, want zij drongen mij met grote kracht naar de “brug te ver” die hierop volgt:

De brug waar je af wilt springen, omdat het lijden ondraaglijk en uitzichtloos lijkt. Dit is de allergevaarlijkste brug in dit verhaal, de brug die rechtstreeks naar de dood zou kunnen leiden, terwijl dat diep van binnen niet is wat je werkelijk wilde. Tenminste, als ik voor mezelf spreek, was het juist mijn wil tot leven die mij ingaf dat ik er een einde aan moest maken. Want als ik zó graag wilde leven, maar het bleek steeds zo pijnlijk onmogelijk, beschamend en kansloos, wat bleef er dan nog over dan te zorgen dat ik mijn eigen mislukking in dat wat ik met heel mijn wezen wilde, niet meer kon kennen door er zelf niet meer te zijn?

In een tijd dat ik al wel aan de beterende hand was, maar al te lang in onzekerheid en vertwijfeling moest wachten op bureaucratische afhandelingen kwam het plan met de brug. Vergeleken met de acties in mijn slechtste periode was dit een redelijk verstandig plan, waarmee ik impulsieve pogingen op een afstand hield. De beoogde brug bevond zich namelijk ergens in Oost-Duitsland, en om deze plek ook echt te bereiken voor het verrichten van mijn daad zou ik behoorlijk zeker moeten zijn. Ik stelde me voor dat als ik onderweg zou gaan twijfelen, ik waarschijnlijk als “verward persoon” opgepakt zou worden in Duitsland en daar in een inrichting gestopt. Dat wilde ik in ieder geval niet.

Op een gegeven moment heb ik dan maar contact opgenomen met 113, zowel via internet (113online) als ook een keer via de telefoon. Gelukkig was de persoon aan de telefoon in staat om een gesprek met mij te voeren dat het niet alleen maar erger maakte, maar juist een beetje beter. Zij vroeg mij wat ik zou willen als ik nergens rekening mee hoefde te houden. Ik had haar al verteld over mijn plan met de brug, en ik zei: “Ik zou van die brug af willen springen, maar dan niet doodgaan”. Ik dacht aan de bossen en bergen in het uitzicht en de duizelingwekkende diepte en de hoge snelheid die de ultieme angst en het ultieme genot tot één geheel maken in een stortvloed van intense indrukken. En ik wist: Ik wil niet dood. Ik wil juist ten volle leven!

Intussen ben ik overigens nog steeds te vreesachtig geweest om werkelijk toe te komen aan zowel een dergelijke sprong als “ten volle leven”. Maar sommige dingen die ik doe komen er wel wat in de buurt, en goed genoeg om niet meer te geloven dat de dood een verbetering zou zijn ten opzichte van mijn leven.

De brug van GGZ naar een vrij leven in de maatschappij ofwel volledig “herstel” inclusief maatschappelijk herstel is de brug waar ik me nu op bevind. Hoewel dit nu wel veiliger voelt dan de uiterst bedenkelijke gammele brug naar de goede behandelaar die ik ter nauwer nood overleefd heb, voelt het gevaar nog vaak erg nabij.

Wat vooral opvalt is dat er eigenlijk helemaal geen sprake is van een brug. Of een herkenbare overkant. Alsof je aan een moeras met drijfzand ontkomen bent en dan een rivier moet doorwaden in de mist.

Toch is het ook regelmatig of ik me al wel degelijk op een hoogte bevind waar ik van af zou kunnen vallen. En alsof er een weg terug is waar ik heen gejaagd zou kunnen worden als iemand besluit om mensen niet over de brug te laten. Alsof er toch een banvloek op zou kunnen rusten, waardoor mijn terugkeer in het land der levenden om allerlei onverwachte redenen toch geweigerd zou kunnen worden…Bijvoorbeeld als ik omkijk, en ik kan het omkijken steeds niet laten…

Laat ik maar hopen wat ik ook wel weet, namelijk dat niet al mijn angstfantasieën zichzelf waar hoeven te maken. Toch geloof ik dat omkijken werkelijk gevaarlijk kan zijn, en ik mij zelf al bloggend in gevaar breng. Openheid over psychische problemen hoeft geen probleem te zijn voor iemand die al goed en stabiel functioneert in geaccepteerde maatschappelijke rollen, heeft getoond daarin competent te zijn en dan nog eens toegeeft zich toch wel eens psychisch ziek te voelen. Maar iemand wiens laatste herkenbare maatschappelijke rol “psychiatrisch patiënt” was, die moet eerst nog maar eens bewijzen desondanks competent te zijn, terwijl er al bergen “bewijs” ligt voor het tegendeel.

Toch zijn er gelukkig ook mensen die dit anders zien, en zij kunnen helpen met het oversteken van deze laatste brug waar eigenlijk geen brug is. Dan kan deze gevaarlijke oversteek uiteindelijk zonder herkenbare overgang doorlopen tot de enige echte gevaarlijke brug in een eeuwigheid van niet-leven, waar al het andere dat je deed zich ook al op bevond. Dan besef je opeens dat je hetzelfde grote gevaar deelt met iedereen die nooit in de GGZ is geweest.

Geen persona of geen persoonlijkheid?

Soms zou ik wensen dat ik helemaal geen persoonlijkheid nodig zou hebben. Ik wil gewoon een leven hebben, in plaats van steeds aan mezelf te moeten werken. Het duurt nu al zo oneindig lang dat ik dat probeer, en het lijkt ook niet eerlijk. Andere mensen zijn er ook lang niet altijd zo mee bezig om zichzelf steeds te moeten verbeteren, terwijl die toch ook niet allemaal zo’n enorm hoogstaand ontwikkelde persoonlijkheid lijken te hebben. Natuurlijk zijn daarin grote verschillen, maar ik meen toch dat er meer dan genoeg mensen rondlopen die zichzelf zelfs nog slechter voor elkaar hebben dan ik mezelf en het desondanks stukken beter naar hun zin hebben en/of in hoger aanzien staan. Dus waarom moet ik dan zo nodig maar blijven sleuren aan mijn persoonlijkheid die zich afwisselend als dood paard, paniekerig paard en opstandig paard gedraagt bij alles wat ik eraan zou willen verbeteren?

Natuurlijk omdat dat ik me nog steeds regelmatig met dermate schaamtevolle stumperigheid achter de vermeende feiten aan zie rennen dat ik nog veel liever hard zou weglopen. Het lijkt dan wel of ik echt helemaal NIETS goed kan doen. Bijna niets wat ik van mezelf zou kunnen laten zien lijkt aanvaardbaar voor mezelf en al helemaal niet om door een ander gezien te worden. Mochten er nog wat fragmentjes overblijven die ik wel vind kunnen, dan zijn dat er toch echt niet genoeg.

Het is wel de vraag wat het dan precies is waar ik zo schandalig op misgrijp in zulke panieksituaties. Voor een deel kan die narigheid veroorzaakt worden doordat ik tijdelijk niet in staat ben om mijn eigen goede en sterke kanten te zien, terwijl mijn fouten en tekortkomingen overmatig de aandacht opeisen. Dan zie ik mijn schaduw dus groter dan mijn persoonlijkheid, maar betekent dat ook dat er met mijn persoonlijkheid zelf iets mis is?

Vaak ben ik vooral ook erg bang voor wat de ander ziet. Ik ga er dan van uit dat dit zeer negatief is en bovendien dat het als het negatiever is dan wat ik oorspronkelijk zelf dacht over mezelf, het dus ook meer waar is dan wat ik zelf dacht. Eigenlijk is het dan meer mijn “persona” dan mijn persoonlijkheid die mijn wantrouwen in eerste instantie wekt. De betekenis van “persona” is ook wel masker. Het is dus iets eigenlijk oppervlakkigs dat je verkiest aan anderen te laten zien. In het normale sociale verkeer worden dergelijke maskers veel gebruikt, en het ontwikkelen van een geschikte persona voor voorkomende situaties kan wel gezien worden als onderdeel van normale persoonlijkheidsontwikkeling. Desondanks lijkt mij ook dat een echte, goed ontwikkelde persoonlijkheid zou maken dat je die oppervlakkige maskers niet meer nodig hebt, omdat je als compleet persoon in staat bent om in iedere situatie zowel authentiek te blijven, als ook voldoende aangepast te zijn aan de situatie en sociale context. Zowel in contact met je diepste innerlijke passies als ook in vruchtbare verbinding met de buitenwereld zou je optimaal in je kracht komen en creatief kunnen realiseren wat je aan mogelijkheden hebt in het leven…

Deze voorstelling maakt verder werken aan persoonlijkheidsontwikkeling dan toch wel weer aantrekkelijk. Het kan dan wel zo zijn dat veel anderen ook niet optimaal ontwikkeld zijn, maar dit is eigenlijk toch niet voldoende reden zijn om het zelf dan ook maar niet meer te proberen. Complexe emotionele conflicten en crisis schijnen zelfs te kunnen bijdragen aan diepgaande ontwikkelingen van persoonlijkheid, zodat mijn vermeend kansloze achterstand op de vermeende feiten misschien toch niet zo onoverkomelijk hoeft te zijn als het mij in de angst steeds voorkomt. Maar ga mij niet vertellen dat de angst altijd liegt, want dat zou in strijd zijn met het beetje persoonlijkheid dat ik tenminste al wel heb!

Wel zou ik me zowel in dit blog als overal anders ook wel graag eens van een totaal andere kant willen laten zien, en zonder steeds mijn schaduw voor mijn persoonlijkheid te schuiven bij gebrek aan persona. Ook zou ik mezelf wel helemaal willen kunnen overslaan en juist met al het andere bezig gaan, dat zo veel verrijkender is of lijkt, maar dan lijkt de keuze die ik zou kunnen maken uit en de manieren waarop ik zou kunnen omgaan met “al het andere” toch weer al te griezelig naar mij zelf terug te verwijzen. Bij leven de eigen persoonlijkheid vermijden is kortom een onmogelijke opgave, maar ik vind het nog altijd erg lastig wat ik er dan wel mee moet.  Voor de rest gaat het trouwens wel prima, hoor (echt waar!).

*

(Afbeelding: Een werk van Titia van Beugen)

Abnormaliteit en lijdensdruk: Waar begint de ziekte?

Een van mijn allereerste blogs, dat ik schreef op de site van Orange Monday nog voor ik dit eigen blog begon, was: “Niet normaal volgens de normale verdeling”. In dit blog verdedigde ik dat niet iedere vorm van afwijken van het gemiddelde in de psychiatrie tot ziekte gebombardeerd zou mogen worden, terwijl dit veel te vaak wel gebeurt. Het thema sloot wonderwel aan op een artikel dat psychiater Menno Oosterhoff kort tevoren in de krant geschreven had.

Even wonderwel kreeg ik zelfs reacties van Menno Oosterhoff op dat blog. Ik gloeide van opwinding. Maar ik werd er toch ook wel erg nerveus van: Wat zou ik dan weer op die reacties reageren? Waarbij vooral duidelijk moest blijven dat ik prima bij mijn verstand was. Ik ging het opnemen voor de hele groep mensen die tot patiënt bestempeld zijn en daarmee niet meer voor vol aangezien worden: Psychische problemen hebben betekent niet dat je achterlijk bent of een tekort aan zelfreflectie hebt.

Maar wat heb ik daar willen verdedigen? Dat ik niet ziek ben? Weet ik dat zelf eigenlijk wel zo zeker, of is het vooral een geraffineerd verpakte maar in de aard uiterst absurde ontkenning? Met als hoofdargument dat ik “alleen maar statistisch abnormaal ben in zenuwachtigheid”? Het zal wel uit medelijden geweest zijn, dat Oosterhoff dat niet direct afgebrand heeft?

Het was zeker prettig destijds om er met mijn toenmalige eigen psychiater zo vrij over te filosoferen, en ik geloof nog steeds dat hij in belangrijke opzichten gelijk had. Maar voor wie echt lekker stabiel in het huidig psychiatrisch paradigma zit, zal het wel het grootste onzinargument ooit zijn.“Zenuwachtigheid” is immers een symptoom, een storende psychische klacht op zichzelf, en zeker als het in abnormaal hoge mate aanwezig is. Weliswaar is niet direct duidelijk van welke ziekte het een symptoom is, maar daar kunnen ze snel genoeg achter zijn door nog wat door te vragen.

Wat dat betreft denk ik ook dat ik het er bij nader inzien niet bij moet laten zitten dat ik “nu eenmaal extreem zenuwachtig ben”: Hoewel ik veel temperament- en andere eigenschappen heb die zenuwachtigheid kunnen faciliteren, lijkt het mij niet waar dat ik als een gefixeerd statistisch gegeven altijd aan de extreem hoge kant daarvan moet zitten.  Daarin was het plaatje dat mijn psychiater me voorspiegelde dus toch weer niet zó helpend, want het gaf mij de neiging me achter mijn “zenuwachtigheid” te verstoppen zoals ik veel mensen zich ook achter een eenmaal gestelde DSM-diagnose zie verstoppen.

Mijn anders-zijn geformuleerd als statistische afwijking in zenuwachtigheid valt binnen het psychiatrisch paradigma dus wel degelijk te herleiden tot een psychiatrische ziekte. Het is in de medische wetenschap zeker geen uitzondering als een “statistische afwijking” direct of indirect naar een echte ziekte verwijst. Zelfs bij het voorbeeld van lengte dat mijn psychiater destijds gebruikte, dat mij in eerste instantie een vrij neutraal voorbeeld leek, kan vanuit een medisch perspectief anders gekeken en geoordeeld worden: Extreem korte en extreem lange mensen hebben een “groeistoornis”…

Zo begon ik mij langzaam aan af te vragen of het dan soms toch waar is, dat alles wat extreem ver van het gemiddelde afwijkt een ziekelijke afwijking moet zijn. In de meeste gevallen van afwijkingen die wel functioneel zijn, zoals lang zijn voor een basketballer, gaat het toch om afwijkingen van het gemiddelde die niet tè extreem zijn. Afwijkingen waardoor iemand iets extreem goed kan, zullen minder snel onder het ziekte-begrip vallen: Extreem hard kunnen sprinten, extreem intelligent zijn. Tenzij de daarvoor benodigde eigenschappen ook nadelen zouden hebben die zo groot zijn of zodanig van aard, dat het voordeel het niet kan compenseren…

Hoe dan ook is het zeker niet voor niets geweest dat ik überhaupt de psychiatrie opgezocht heb. Ik heb echt wel ergens last van, en ik wilde er heel graag mee geholpen worden! Er valt ook echt te vrezen dat ik geen volwaardig leven kan hebben met deze problemen!

Nu ik eenmaal geleerd heb om mijn moeilijke ervaringen en afwijkende gedragswijzen als symptoom te herkennen, kan ik er niet echt meer omheen dat ik inderdaad “ziek” moet zijn (binnen het huidig psychiatrisch paradigma.)

Desondanks heeft het mij niet echt geholpen om het als ziekte te beschouwen en te laten behandelen. Om te beginnen werkt de interpretatie van mezelf als gestoord en ziek persoon zeer schadelijk in op mijn zelfvertrouwen en stemming. Het Nocebo effect van het hebben van een diagnose!

Een behandeling moest dus wel extreem effectief zijn, om dat nog te kunnen compenseren. In werkelijkheid was de effectiviteit van geboden behandelingen over het algemeen matig tot nihil.

Voor zover hulpverlening mij iets van hulp heeft kunnen bieden, had dit strikt genomen weinig met het behandelen van ziekte per se te maken. Het ging vooral om contact maken, en om helpen herstellen van enig vertrouwen in mezelf en de medemens.

Al zijn dit vaker belangrijke thema’s bij het behandelen van persoonlijkheidsstoornissen en andere psychische “ziektes”, lijkt het me hier toch te gaan om tamelijk universele menselijke behoeftes. Ook al die mensen die (nog) niet formeel “ziek” zijn maar toch, ieder op zijn eigen manier en intensiteit, worstelen met zichzelf en hun omgeving, kennen deze behoefte.

Het verschil is vaak dat zij in hun eigen omgeving daarvoor voldoende sociale steun hebben, om het vol te houden en niet “ziek” te worden, zodat zij niet genoodzaakt zijn hiervoor professionele hulpverlening te zoeken. Bij de meeste mensen heb ik niet zo zeer de indruk dat zij werkelijk zoveel betere en flexibelere coping vaardigheden zouden hebben dan iemand met een persoonlijkheidsstoornis. “Beter” wel in de zin van: Het werkt. Het is voldoende, het is goed aangepast aan hun omstandigheden; Ze kunnen er bevredigend mee leven, vooral zo lang het lukt om ongeveer dezelfde omstandigheden te handhaven of om vloeiend mee te stromen met de “kudde” als er veranderingen zijn.

Veel meer is het niet voor de grote, niet-zieke middenmoot. Ook veel van hen ervaren een zekere lijdensdruk onder de verplichting om normaal te zijn en te blijven. Ze weten dat als ze niet “gek” of “ziek” willen worden, ze dus “normaal” zullen moeten blijven doen…

WAT mag eigenlijk “werkelijk leven” heten?

Een aantal keren al, heb ik geschreven over “leven” als zijnde iets dat ik nog moet leren, waarvoor ik angsten moest overwinnen, en zelfs als iets dat onmogelijk leek, iets dat ik bij volledig bewustzijn toch verloren kon hebben.

Het is tegenwoordig vrij gebruikelijk om het woord “leven” in een dergelijke betekenis te gebruiken, verwijzend naar iets anders dan wat het in zuiver biologische zin betekent. Het idee dat je niet echt “leeft” als je bijvoorbeeld niet tot het uiterste gaat, niet geniet of niet succesvol bent et cetera, is wel haast een cultuurfenomeen te noemen.

Hoewel ik zelf altijd het gevoel gehad heb dat een dergelijke vorm van levensdrift, die een leven op een laag pitje niet kan accepteren, voor mij geheel natuurlijk is, wordt er dus ook vaak gesuggereerd dat dit iets is waarmee mensen zich door de huidige in westerse welvaartslanden heersende cultuur het hoofd op hol laten jagen. Ik denk wel dat het feit dat de cultuur het óók nog eens eist, de totale druk van deze zelfverwerkelijkingsdrift gevaarlijk hoog kan doen oplopen.

Wat ik geneigd ben onder “werkelijk leven” te verstaan als ik niet uitkijk, is voortdurend maximale stimulatie, afwisseling en uitdaging, waarbij sympathisch zenuwstelsel, zintuigen en spieren alle registers opentrekken en er daarbij bovendien nog in slagen de niet-stressgerelateerde hersendelen maximaal te doen functioneren.

Naast dergelijke redeloos opgeklopte verwachtingen van mijn acties en ervaringen, zijn er ook nog de prestatie-eisen waarbij ik alleen mag overleven als ik de aller-, allerbeste ben, en ik mag nooit iets doen waar in de ogen van enig ander ook maar iets mis mee is. Laat staan natuurlijk dat ik iets mag doen of nalaten in strijd met wat ik zelf goed vind!

Zo bezien zijn er drie belangrijke problemen met mijn leven, die maken dat ik zelf het gevoel kan hebben dat ik “niet leef”:

  1. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe en ervaar om het “leven” te mogen noemen.
  2. Ik stel onmogelijke eisen aan wat ik doe om mezelf het recht te durven gunnen dat ik màg leven.
  3. Het moeten voldoen aan deze onmogelijke eisen roept dusdanig intense stressreacties op, dat ik niet anders meer kan dan tamelijk primitief vermijden of afreageren. Hiermee versterk ik de hele situatie “Ik leef niet en heb daar het recht ook niet toe”, zoals deze volgt uit de combinatie van mijn eisen en de werkelijkheid.

Eigenlijk denk ik dat veel mensen in deze cultuur een beetje deze problemen hebben. Meestal kunnen mensen nog wel voorkomen dat dit soort existentiële problematiek al te storend en al te bewust wordt, of dat het zelfs duidelijk merkbaar wordt voor anderen. Maar het lééft wel bij veel mensen. De huidige tijdgeest is niet voor niets uitgemaakt voor “Borderline Times” en “Age of Anxiety”. Al schijnt die laatste term ook al voor andere, vroegere tijden gebruikt te zijn. Het doordraven van zowel mensen als hele samenlevingen is dan mogelijk toch van alle tijden…

 

Het streven om “werkelijk te leven”, dat ik als natuurlijke drift ervaar, beschouw ik op zichzelf toch nog steeds als gezond. Tegelijk herken ik ook de dynamiek waarin het tot een onmogelijke eis verwordt, die zowel door de natuurlijke drift als ook door de cultuur opgejaagd word. Ik moet dus uitkijken dat ik wel realistisch blijf over wat onder “werkelijk leven” verstaan dient te worden. Hoge intensiteit van actie, ervaren en ook denken, is wel iets dat er voor mij ècht bij hoort, maar zelfs niet als ik “evenwichtige afwisseling” aanbreng in wàt ik dan zo intens wil doen, kan het niet voortdurend maximaal zijn. Ook is het gewoon niet waar, dat ik alleen mag overleven als ik de aller, allerbeste ben. Wel wil ik graag presteren, maar dat is heel iets anders dan de redeloze maximaliserende dwang die niet toelaat dat enig ander dier ergens beter in is.

Ondanks dit alles, bedacht door mijn redelijk verstand, kan ik nog steeds wel eens het gevoel hebben dat ik “niet werkelijk leef”. Dan zit ik aan de schaduwzijde van mijn leven. Maar ik zie de schaduw zo donker, omdat er ook licht is! Licht in alle intensiteiten en kleuren, méér omvattend dan alleen het zichtbare spectrum. Eigenlijk ga ik juist ook graag in de schemerzone van het leven staan. Daar vandaan kan ik tegelijk contact maken met zowel de lichte als de duistere kant. Het voelt niet altijd goed maar ik leef wel degelijk en zelfs in zekere zin juist zó heel erg “ten volle”.

Wel zie ik vanuit mijn observatiepost in de schemering helder genoeg: Ik ben nog altijd niet voldoende vertrouwd met het volle daglicht. Gedraag me toch nog te vaak schichtig als een wezen van het duister dat vreest gedood te worden door de blikken van mensen die mij kunnen zien! De angst zit er heel diep in, hoe zeer er ook geen redelijke reden toe is. Er valt nog veel te zien en te doen aan de “lichte” kant van het leven, waar ik mij nog te weinig aan gewaagd heb. Desondanks is het ook nu al “werkelijk leven” wat ik doe, en dat al sinds mijn noodlottige conceptie met alle recht van de wereld bovendien!

fractal where dreams are born

Leven met exposure in soorten en maten.

Exposure bij angststoornissen.

In de behandeling van angststoornissen is “exposure”, het aangaan van de angst, meestal een belangrijk onderdeel. Ik heb zelfs wel eens de neiging gehad om dit te interpreteren als: hoe meer exposure hoe beter. Het leven begon toch buiten je comfortzone!

Weliswaar had ik al lang geen comfortzone meer, of althans, daar had ik verboden gebied van gemaakt, aangezien ik eindelijk eens moest en zou beginnen met leven!

20150718_220549~2

Vaak werd ik vooral enorm gestresst en gefrustreerd door deze pogingen tot exposure. Het voelde dan echt helemaal niet goed, en ik ging nog raar doen ook waardoor ik mijn angsten alleen maar verder bevestigde. Maar net vaak genoeg om het niet op te geven, werkte het dan toch wel. Dan had ik eindelijk eens toegang tot het leven! Altijd te kort weliswaar, maar toch: Leven! Daar deed ik het voor!

Bovendien, hoewel het in angstige situaties vaak voelde alsof het niet zo was, leerde ik er uiteindelijk ook van. Nu constateer ik vaak met groot genoegen dat een situatie die me enige tijd geleden redeloos en radeloos maakte, me moeiteloos af ging alsof ik er in mijn hele leven nog nooit een probleem mee gehad zou hebben!

Weliswaar komt het ook steeds weer voor dat het opeens toch weer wel een probleem is, maar dan heb ik toch al steun van het weten dat ik het eigenlijk wel degelijk kan.

Toch lijkt me achteraf bezien, de mentaliteit waarmee ik het aanging niet altijd even gezond. Ik heb de indruk dat ik door mezelf zo lang aan één stuk door aan stress bloot te stellen, mijn innerlijke stressregulatiesysteem nog verder ontregeld heb. Voor mijn gevoel heb ik mezelf daarbij ook nog eens zo goed als onmogelijk gemaakt bij een veel te groot aantal mensen, door in een redeloze vecht-vlucht-of-bevries modus het “contact” met hen aan te willen gaan…

Wel heb ik nog de hoop dat ik in ieder geval het belangrijkste deel van de daarbij opgelopen schade nog kan goedmaken, zodat ik alles bij elkaar er toch iets mee gewonnen heb.

Exposure in “risk assessment.”

In mijn studie ging het ook over exposure, 4 weken lang aan één stuk door. Het bepalen van de exposure is een van de essentiële onderdelen van de manier waarop risico’s vanuit de wetenschap ingeschat worden. Ik zal mijn lezers niet vervelen met de definities van exposure die in mijn vakgebied gehanteerd worden, maar meestal komt het toch neer op het in aanraking komen met schadelijke stoffen. Exposure is dan hetgene dat van een potentieel gevaarlijke stof pas een daadwerkelijk schadelijke stof maakt. Het is dus iets dat we over het algemeen willen vermijden.

Wel zijn er ook exposures die een gunstig effect kunnen hebben, en waarbij afwezigheid van exposure zelfs schadelijk kan zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor water, vitamines, en lichamelijke inspanning. Toch is het ook bij al deze dingen zo, dat een té hoge exposure ook weer schadelijk is. Als we het effect van zulke stoffen in een grafiek weergeven, krijgt dat een U-vorm. Tenminste in de toxicologie, waar negatieve effecten gemeten worden. Je zou de U ook kunnen omkeren natuurlijk, als je vooral van het positieve wilt uitgaan, maar dat doen we niet 😉

u-shaped-dose-response

Exposure aan fouten.

Zoals ik een beetje liet blijken uit mijn vorige blog, kreeg ik in mijn studie al snel te maken met een overmatige exposure aan het moeten maken van fouten. Dat is niet voor het eerst. Het lijkt erop dat ik nogal gevoelig ben voor fouten die ik maak.

Op zich is dat niet per se een ziekelijke afwijking. Het heeft zelfs het voordeel dat ik in principe minder en kleinere fouten hoef te maken om iets goed te kunnen leren. Bovendien zal ik sterk intrinsiek gemotiveerd blijven om fouten te vermijden, zodat ik in principe nauwelijks externe druk nodig heb om scherp te blijven.

Exposure aan fouten is ook wel te beschouwen als iets dat een u-vormige dosis-respons relatie heeft. Ook ik kan tot niks komen als ik fouten helemaal zou willen vermijden. Tegelijk zal ik ervoor moeten zorgen dat ik me niet laat vergiftigen door die overdosis, die al kan optreden terwijl er voor anderen nog niets aan de hand is. Daarbij moet ik enerzijds voorkomen dat dit ontaard in het nog verder versterken van mijn toch al veel te storende faalangst, en anderzijds dat het geen meedogenloze ophoping van overdoseringen wordt, die het ook alleen maar erger maakt.

Totale exposure.

Exposure blijkt nu echt overal te zijn. De dagelijkse spits van en naar Utrecht geeft mij bijvoorbeeld verhoogde exposure aan allerlei schadelijke stoffen die we in verband brengen met gezondheidsrisico’s. En stress. En reclame-auto’s waarvan ik kan aflezen dat reclame maken ook exposure is. Maar dat wist ik eigelijk al.

Als ik aan het koken ben produceer ik exposure, en bij het schoonmaken, terwijl je door te weinig schoon te maken uiteindelijk ook je exposure verhoogt. Enzovoorts, ik geloof niet dat er nog een einde zou komen aan een opsomming van exposures. Zo lang er leven is, is er exposure zal ik maar zeggen.

Ik heb dus een fantastische studie gekozen om mijn neuroticisme mee te cultiveren. Gelukkig is cultiveren toch heel iets anders dan oncontroleerbaar laten voortwoekeren. Dat zou gemakkelijk schadelijker kunnen worden dan alle risicoverhogende exposures bij elkaar!

Het zo goed mogelijk omgaan met alle exposures is dus niet alleen een wetenschap maar ook een kunst. Ik ben dus ijverig aan het oefenen, en bij de kunst hoort ook: Leven met al die exposures en met het verstandig vermijden ervan. Ondanks alles en dankzij alles, leven! Daar doe ik het voor!

overwinning op het rampjaar 2012